“Groene” labels voor niet-duurzame landbouwteelten: stap vooruit of greenwashing?
Wereldwijd liggen bepaalde grootschalige landbouwpraktijken zwaar onder vuur omwille van hun uitgesproken niet-duurzaam karakter. Onder druk van deze kritiek wordt door de productieketen sinds een paar jaren sterk geïnvesteerd in het uitwerken van “groene” labels voor deze teelten zodat, mits voldaan wordt aan een reeks criteria, het eindproduct op de markt kan worden gebracht met een certificaat van duurzaamheid.
Dit gebeurt via Ronde Tafels waarin alle stakeholders vertegenwoordigd zijn en waar naar een consensus wordt gezocht over wat nu juist die duurzame productiewijze moet inhouden.
Dergelijke Multistakeholder Sustainability Initiatives (MSI’s) lopen momenteel voor soja, palmolie, katoen, suiker, biobrandstoffen, rundsvlees en vis uit aquacultuur.
Inspiratie werd gezocht bij de ontelbare ecolabels die wereldwijd op de markt zijn met de bedoeling de consument te overtuigen dat aankoop van het gelabeld product de wereld een stukje groener maakt.
De vraag is hoe geloofwaardig en betrouwbaar deze nieuwe duurzaamheidslabels zijn, welke impact dit alles heeft op de concrete productiepraktijk en wie er allemaal beter van wordt.
Verantwoorde soja
Zo is er soja. In Zuid-Amerika verdwenen de voorbije decennia miljoenen hectaren bos, savanne en moeras ten voordele van deze winstgevende teelt. Ook veel lokale boeren moesten wijken en hun grond afgeven aan de grote sojaboeren.
Het grootste deel van de Zuidamerikaanse soja is bestemd voor de export, onder meer naar Europa, om daar de noodzakelijke eiwitten te leveren voor veevoeder. De EU importeert jaarlijks 40 miljoen ton soja en meer dan 80% daarvan wordt gebruikt in veevoeders. Het is trouwens dank zij de ingevoerde soja dat bij ons een grondarme veeteelt mogelijk is, we gebruiken immers de grond in het Zuiden om onze dieren te voeden... Daarnaast wordt soja ook meer en meer gebruikt voor de productie van biobrandstof wat in het kader van de globale voedselproblematiek een zeer nefaste evolutie is.
De negatieve impact van de sojateelt in Zuid-Amerika kan moeilijk onderschat worden.
In tegenstelling tot de traditionele landbouw, worden in de sojateelt veel meststoffen en pesticiden gebruikt met alle schadelijke gevolgen vandien voor het leefmilieu. De teelt is ook verantwoordelijk voor zware bodemdegradatie.
Naast de enorme ecologische schade ligt de grootschalige sojateelt ook aan de basis van de ontregeling van lokale voedselproductiesystemen, de desintegratie van het plattelandsleven en het vernietigen van de lokale boerenlandbouw.
De steile opmars van genetisch gemodificeerde soja zorgt voor veel bijkomende ongerustheid. Deze gg-soja is gekoppeld aan het gebruik van de onkruidverdelger Roundup (glyfosaat) waarbij na verloop van tijd resistente onkruiden voorkomen en de toegediende dosissen systematisch moeten opgedreven worden. Glyfosaat is trouwens schadelijk voor de gezondheid zeker als het op grote schaal met vliegtuigen wordt gespoten over de velden, wat een gangbare praktijk is in Zuid-Amerika.
De sojateelt is dus verantwoordelijk voor enorme sociale, economische en ecologische schade.
Als antwoord op deze toenemende kritiek werd in 2006 door een groep sojaproducenten, samen met een aantal betrokken bedrijven waaronder giganten zoals Monsanto, Nestlé, Carrefour, Syngenta… en enkele NGO’s waaronder WWF en Conservation International, de “Roundtable on Responsible Soy (RTRS)” opgericht. De bedoeling is een certificeringsysteem uit te dokteren waardoor, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden, het label “verantwoorde soja” kan worden toegekend. Deze gelabelde soja zal in 2011 op de markt wordt gebracht.
Ondertussen is daar wereldwijd heel wat reactie op gekomen. 235 ngo’s, waaronder Friends of the Earth International, het internationale bossennetwerk Global Forest Coalition en de internationale koepel van biologische landbouworganisaties IFOAM, hebben zich publiek gedistantieerd van dit initiatief en in juni 2010 hebben zij een gezamenlijke protestbrief geschreven. (http://www.gmfreeze.org/page.asp?ID=431&iType=1079)
De criteria om het “groene” label te halen worden duidelijk te licht bevonden. Zo kan genetisch gemodificeerde soja zonder probleem gecertificeerd worden en men blijft ook vasthouden aan het model van grootschalige monoculturen terwijl iedereen weet dat dit nefast is voor de biodiversiteit, de lokale voedselproductie en de boerenlandbouw.
Bij het toekennen van het label gaat men ook volledig voorbij aan het vorig bodemgebruik. Dus sojavelden die er gekomen zijn door (soms illegale) ontbossingen kunnen zonder problemen een label krijgen en zelfs toekomstige ontbossingen zijn toegelaten op voorwaarde dat het niet gaat om maagdelijk oerwoud. De RTRS pretendeert dat het gebruik van dergelijk label een positief effect zal hebben op het klimaat. Nochtans ligt de sojateelt aan de basis van zowel massale ontbossingen als de overconsumptie van vlees in het Westen, twee factoren die een zware impact hebben op het klimaatprobleem.
Meer en meer wordt ook duidelijk dat de RTRS nog een achterliggende agenda heeft, met name het stimuleren van het gebruik van soja-olie voor de productie van biodiesel terwijl volgens deskundigen soja als biobrandstof slechter is voor het klimaat dan fossiele brandstoffen.
Ook bij ons is er felle reactie gekomen. De aanleiding was dat enkele belangrijke Nederlandse ontwikkelings- en milieuorganisaties hun steun hebben gegeven aan het RTRS-initiatief. De Belgische Noord-Zuidbeweging en milieubeweging hebben in februari 2011 in een open brief aan hun Nederlandse collega’s gevraagd hun steun aan de RTRS in te trekken. En stilaan komt er ook reactie uit Nederland zelf. Een aantal boeren- en milieuorganisaties hebben in maart 2011 een brief geschreven naar de supermarkten waarin ze het gebruik van “verantwoorde” soja afraden vermits dit algemeen beschouwd wordt als greenwashing van de bovenste plank.
Trouwens een aantal bedrijven die lid zijn van de RTSR (Nidera, Monsanto en Pioneer) werden onlangs aangeklaagd door de Argentijnse autoriteiten wegens slavernij-achtige toestanden op hun maïsvelden… het is weinig geloofwaardig wanneer dezelfde bedrijven nu rond de tafel zitten om afspraken te maken over verantwoorde soja.
Van officiële zijde worden voorlopig weinig vragen gesteld bij dit initiatief. Wel is duidelijk dat de vleesindustrie en veevoedergroepen enthousiast meestappen in dit verhaal. Dit dient immers hun economische belangen en giet een groen sausje over hun activiteiten. En meteen is ook de moeilijke discussie over ggo-besmetting van veevoeders in Europa voorgoed van de baan.
Duurzame Palmolie: hetzelfde verhaal
Ook de oliepalmplantages kregen de voorbije jaren een storm van kritiek te verduren omwille van hun negatieve impact op het milieu en de lokale bevolking. Sinds 1990 kent deze teelt een spectaculaire groei (+ 43%) vooral in Maleisië en Indonesië. Met een jaarlijkse productie van 46,6 miljoen ton palmolie neemt deze sector 40% van de wereldwijde productie van plantaardige olie voor haar rekening. Daarvan wordt 5,4 miljoen ton (11,6%) geïmporteerd in de EU. Het areaal oliepalmplantages beslaat wereldwijd ruim 12 miljoen hectare. Zorgwekkend is dat de vraag naar palmolie nog altijd sterk toeneemt en dat het grootste deel van de geschikte uitbreidings-locaties ligt in gebieden die nu bos zijn.
Palmolie is een klassiek ingrediënt in de voedingsindustrie maar het gebruik voor de productie van biobrandstoffen is de laatste jaren sterk toegenomen.
In Zuidoost-Azië werden ondertussen miljoenen hectaren tropisch bos gekapt voor de expansie van deze teelt. Met uiteraard een spectaculair verlies aan biodiversiteit voor gevolg. Symboolsoort voor deze natuurtragedie is de orang-oetan die al jaren een prominente plaats inneemt op de lijst van met uitsterven bedreigde diersoorten. Vernietiging van hun natuurlijk habitat, maar ook verdelging omdat ze als schadelijk worden beschouwd voor de oliepalmproductie liggen aan de basis van hun verdwijnen. Hetzelfde verhaal geldt voor de Aziatische olifant, de Sumatraanse tijger, de neushoorn en vele andere minder bekende soorten.
De teelt zelf vereist grote hoeveelheden meststoffen en pesticiden wat dan weer zorgt voor verontreiniging van de waterecosystemen. Oliepalmplantages zijn zeer uitputtend voor de bodem: na 20-25 jaar is de productie ontoereikend en blijft de grond volledig uitgeput achter. Bij heraanplanting wordt dikwijls gebruik gemaakt van volledige afbranding om infecties met o.m. de neushoornkever (oryctes rhinocerus) tegen te gaan met zware gevolgen voor de biodiversiteit.
Ook op sociaal vlak is het palmares van de oliepalmteelt niet altijd even fraai. Deze teelt genereert weliswaar veel tewerkstelling doordat naast grote bedrijven ook veel lokale landbouwers eigenaar zijn van oliepalmvelden (tot 40% van de oppervlakte in Zuidoost-Azië is in handen van kleine boeren), maar bij het aanleggen van de plantages worden de rechten van de lokale bevolking dikwijls met de voeten getreden. Tevens zijn er meldingen van kinderarbeid op oliepalmplantages.
Over de impact op het klimaat is veel discussie. De sector zet volop in op biobrandstof en beweert daardoor een positieve bijdrage te leveren aan het klimaatprobleem. Dit klopt in ieder geval niet wanneer voor de aanleg van deze plantages tropisch bos wordt gekapt want dan is er een belangrijk netto-verlies aan koolstof. Deze negatieve impact is nog groter wanneer plantages worden aangelegd op moerassige turfgronden: dan komt er netto 220 ton CO² per ha en per jaar vrij.
Zoals voor soja is er ook voor palmolie een “Roundtable on Sustainable Palm Oil” (RSPO). Dit initiatief werd in 2004 genomen door Unilever samen met WWF. Ondertussen neemt een groot aantal producenten, verwerkingsbedrijven, distributiebedrijven, banken en grote investeerders deel aan deze ronde tafel. Bij de 409 vertegenwoordigers van de private sector vinden we niet alleen de klassieke voedingsmultinationals terug zoals Cargill, Essent, Kellog en Nestlé maar ook 15 Belgische bedrijven (o.a. Destrooper, Vandemoortele, Oleon, Delhaize en zelfs Ecover).
De NGO-sector wordt vertegenwoordigd door 10 milieuorganisaties met als belangrijkste Conservation International en WWF en 8 sociale organisaties met o.m. Oxfam international Afdeling Nederland.
De RSPO heeft een reeks basisprincipes vastgelegd voor de productie van duurzame palmolie. Een belangrijk criterium is dat nieuwe plantages geen ‘primary forest’-gebieden of gebieden met ‘High Conservation Values’ mogen vervangen. De andere criteria gaan over het respecteren van de rechten van lokale bewoners en werknemers en het in stand houden van de leefomgeving van bedreigde diersoorten.
In 2010 werd 3,3 miljoen ton gecertificeerde duurzame palmolie op de markt gebracht en vandaag heeft 3,6% van de totale palmolieproductie het label van de RSPO.
In Nederland werd vorig jaar beslist dat tegen 2015 alle voor de Nederlandse markt bestemde palmolie duurzaam moet zijn en dus moet beantwoorden aan de criteria van de RSPO.
Maar ook hier bleef de reactie niet uit!
Diverse milieuorganisaties vinden dat de afspraken lang niet ver genoeg gaan. Ze vrezen dat palmoliebedrijven een aantal modelplantages zullen ontwikkelen om het RSPO-certificaat te verwerven, terwijl ze op de rest van hun plantages blijven voortdoen zoals altijd.
Deze vrees wordt bevestigd door het rapport “Too green to be true”
(http://www.foeeurope.org/publications/2010/Too_Green_to_be_True0310.pdf) dat in maart 2010 werd uitgebracht door Friends of the Earth Nederland. Daarin worden de activiteiten van één van de grootste palmoliebedrijven IOI Corporation in West-Kalimatan (Indonesië) doorgelicht. IOI is mede-initiatiefnemer van de Ronde Tafel Duurzame Palmolie en heeft heel wat energie gestoken in het opbouwen van een groen imago. De resultaten van de studie staan in scherp contrast met de RSPO-criteria en er werden zelfs flagrante overtredingen van de Indonesische wetgeving vastgesteld.
Zo werden palmolieplantages aangelegd zonder goedgekeurd MilieuEffecten-Rapport en werden door het bedrijf in dit verband frauduleuze verklaringen afgelegd.
Uit satellietbeelden blijkt dat er niet-vergunde bosontginningen gebeurd zijn en – in tegenstelling tot de officiële gedragscode van IOI – werden ook plantages aangelegd in veengebieden. Er zijn strikte regels over het niet toepassen van het afbranden als teelttechniek (zero-burning-policy), maar in de zone waar IOI actief is werd een sterk verhoogde intensiteit aan branden vastgesteld. En ondanks de belofte voor het maximaal respecteren van de landrechten, zijn er ondertussen veel conflicten met de inlandse bevolking rond betwiste grond-innames.
Dus niettegenstaande alle engagementen opgenomen in het kader van de Ronde Tafel Duurzame Palmolie, blijken de groene ambities van deze palmoliemastodont in de praktijk gewoon fake te zijn.
Meer recent is de Orangutan Outreach, een Indonesische organisatie die zich inzet voor de bescherming van de orang-oetan, na 3 jaar intensief engagement in het multistakeholdersoverleg ontgoocheld afgehaakt. In januari 2011 hebben zij zich publiek gedistantieerd van de Ronde Tafel Duurzame Palmolie omdat de duurzaamheidscriteria veel te zwak zijn. Volgens hen zal deze certificering het grote verlies aan biodiversiteit en de enorme milieu-impact van de oliepalmplantages niet oplossen, zeker niet in landen waar corruptie schering en inslag zijn. Ook het lobbywerk van de actoren om op termijn verhandelbare koolstofkredieten te bemachtigen voor hun plantages met als argument dat deze aanplantingen een goede zaak zijn voor het klimaat wordt als weinig credibel beschouwd. Deze organisatie komt na jarenlange discussies binnen de RSPS tot de conclusie dat alleen een strengere wetgeving en een striktere handhaving van de wet de oplossing zijn om misbruiken te voorkomen.
Dit is ook de conclusie van Milieudefensie Nederland: een echte vergroening op het terrein heeft weinig kans van slagen zonder bindende en wettelijk opgelegde duurzaamheidscriteria en zonder een forse versterking van het wettelijk kader.
Ook bij internationale instanties is er enige beweging rond dit dossier. Op basis van een intern rapport en mede door de veelvuldige kritiek van ngo’s besliste de Wereldbank in 2009 om een moratorium op investeringen in de oliepalmteelt in te voeren omwille van de negatieve impact. Dit werd onlangs herzien en nu wordt geval per geval bekeken of een investering kan doorgaan op basis van een grondige risico-analyse op sociaal en ecologisch vlak.
Een bijkomend knelpunt is dat de vraag naar palmolie in landen zoals China en India in de nabije toekomst fors zal toenemen. Zolang deze landen geen druk uitoefenen op de producenten om meer duurzaam te produceren zal er in de praktijk niet veel veranderen in Zuidoost-Azië. Als de afzetmarkt gegarandeerd is blijft “business as usual” immers nog altijd het gemakkelijkst en goedkoopst.
En nu ook voor katoen, suiker en rundvlees
Ook voor katoen bestaat een overlegstructuur met alle betrokkenen “The Better Cotton Intitiative”met de bedoeling voor deze teelt duurzaamheidstandaarden op te stellen. Diverse NGO’s, waaronder terug WWF, producentenverenigingen en enkele grote ketens (Ikea, H&M, Adidas e.a.) nemen deel aan dit overleg. Dit initiatief richt zich in eerste instantie op Brazilië, India, Pakistan en West-Afrika en de optie is om tegen 2015 1 miljoen ton “Better Cotton” te produceren. Men hoopt 150.000 boeren te kunnen overtuigen om hun teelttechnieken aan te passen. China wordt het nieuwe focusgebied in de toekomst. Momenteel wordt wereldwijd 35 miljoen ha gebruikt voor de productie van katoen, dit is 2,5% van de globale bebouwbare grondoppervlakte. Er zijn diverse problemen op vlak van milieu: slecht gebruik van pesticiden en meststoffen, inefficiënte irrigatiesystemen met veel waterverlies, slechte productiemethodes, bodemdegradatie, bedreiging van de biodiversiteit.
Op sociaal vlak wil men iets doen aan de lage opbrengsten, de ontoereikende inkomsten en grote schuldenlast van de boeren, de zeer zware werkomstandigheden en het voorkomen van kinderarbeid.
Het is vooral de bedoeling een markt te creëren voor deze betere katoen zonder dat daarbij sprake is van een officieel label. Het is (voorlopig?) niet de bedoeling om een certificeringsysteem uit te werken, het gaat om een marktgedreven hulpmiddel dat er moet voor zorgen dat zowel de katoenboeren als het milieu er beter van worden.
Opvallend is dat het Better Cotton Initiative geen uitspraken wil doen over het gebruik van genetisch gemodificeerd katoen. Het wil een mainstream en technologisch-neutraal initiatief zijn dat zich richt op alle katoenboeren ongeacht welk soort zaad of welke productiemethode ze toepassen. Gezien de enorme verspreiding van Bt-katoen in de VS (>90%), India (>70%) en China (>70%) en een gebruik in opmars in Argentinië, Australië, Zuid-Afrika, Mexico en Columbia werd gekozen voor deze gedragslijn om zo een maximaal aantal katoenboeren te kunnen bereiken.
Voor suikerriet wil men wel werk maken van certificering en hier is vooral het gebruik voor biobrandstoffen de drijvende motor. Onder meer in Brazilië worden grote hoeveelheden suikerriet verwerkt tot bioethanol.
In het multistakeholdersinitiatef “The Better Sugarcane Initiative”(BSI) duiken terug de bekende hoofdrolspelers op (Bayer, BP, Cargill, Coca-Cola, Syngenta, Shell e.a.), naast een beperkt aantal NGO’s waarbij WWF ook hier de meest opvallende partner is.
De duurzaamheidscriteria voor de suikerrietteelt zijn vrij rudimentair; naleven van de wet, respecteren van de mensenrechten en het arbeidsrecht, verhogen van de efficiëntie, beschermen van de biodiversiteit en verbeteren van de productiefactoren.
Via garanties op vlak van traceerbaarheid zullen dit suikerriet en de afgeleide producten in de EU kunnen ingevoerd worden voor gebruik als biobrandstof. In november 2010 werd gekozen voor een aantrekkelijke naam voor het label: “Bonsucro”. Het programma wordt nu voorgelegd aan de EU voor erkenning.
Recent is ook de discussie gestart over duurzaam rundvlees.
In november 2010 werd in Denver het startsein gegeven voor een multistakeholdersinitiatief voor de rundvleessector.
Op uitnodiging van Cargill, McDonalds en WWF werd een 3-daagse Sustainable Beef Roundtable georganiseerd om te discuteren over de mogelijkheden om de rundveehouderij op ecologisch, sociaal en economisch vlak duurzamer te maken.
Gezien dit pas opgestart is kunnen nog niet veel concrete resultaten voorgelegd worden. Wel heeft dit al geleid tot gemengde reacties omdat juist de enorme vleesconsumptie, zeker in het westen, aan de basis ligt van heel wat problemen op vlak van klimaat, biodiversiteit en voedselveiligheid. Deze ronde tafel heeft in ieder geval niet de bedoeling om het vleesverbruik te verminderen, er wordt immers geopteerd voor duurzame groei…. Ook was er kritiek omdat de sector van dierenwelzijn niet vertegenwoordigd was op de ronde tafel.
Of dit initiatief een vruchtbare toekomst beschoren is, valt af te wachten maar het is nu al duidelijk dat fundamentele vragen over de impact van de vleesconsumptie op de toekomst van de planeet niet op de dagorde zullen komen.
En natuurlijk: de biobrandstoffen
Door de huidige Europese regelgeving wordt de sector van de biobrandstoffen extra aangespoord om duurzaamheidstandaarden uit te werken. Volgens de EU-richtlijnen 2009/28 en 2009/30 betreffende hernieuwbare energie moeten biobrandstoffen voldoen aan een aantal criteria op vlak van duurzame productie. Om op termijn toegang te blijven krijgen tot de Europese afzetmarkt moet dus een certificeringsysteem uitgewerkt worden, gebaseerd op criteria voor de primaire producenten en voor traceerbaarheid doorheen de verwerkingsketen.
Algemene standaarden worden uitgewerkt door de Roundtable on Sustainable Biofuels (RSB) gecoördineerd door het Zwitsers Energy Center. Via diverse werkgroepen werden standaarden uitgewerkt voor de productie en verwerking van biobrandstoffen en een extern certificeringssysteem werd op punt gesteld. Op 24 maart 2011 wordt dit systeem officieel gelanceerd in Rotterdam.
Deze oefening wordt wel overschaduwd door de fundamentele discussie over de vraag of biobrandstoffen nu een oplossing dan wel een bedreiging zijn voor het klimaatprobleem en de voedselveiligheid. Er is dan ook heel wat kritiek op de voorlopige versies van de uitgewerkte standaarden.
Daarnaast blijft het feit dat ook genetisch gewijzigde gewassen zonder problemen het label “duurzaam” kunnen krijgen en op die manier ook op de Europese markt zullen terechtkomen, voorwerp van harde reactie vanuit de milieubeweging.
De rol van de NGO's
Het opvallende aan de verschillende Ronde Tafels waar “groene” labels voor voedingsgewassen worden uitgewerkt, is dat telkens een (beperkte) vertegenwoordiging van de NGO-wereld mee aan tafel zit.
Meer zelfs, de internationale milieuvereniging WWF is veelal één van de initiatiefnemers en noemt zichzelf “founding member” voor de Multi-stakeholderinitiatieven voor palmolie, katoen, soja en suiker.
Het was ook het WWF dat in 1993 aan de basis lag van het FSC-label (Forest Stewardship Council) voor houtproducten. Dit label geeft aan de consument de garantie dat het gekochte product werd gemaakt met hout afkomstig uit een duurzaam beheerd bos: er wordt rekening gehouden met het milieu, de sociale rechten van de lokale gemeenschappen en de bosarbeiders worden gerespecteerd en het beheer is economisch rendabel. Momenteel wordt 135 miljoen ha bos in 80 landen beheerd volgens de FSC-principes en in ons land heeft meer dan 13.000 ha bos het FSC-label waarvan het merendeel (10.000 ha) in Vlaanderen ligt.
Eind 2010 kwam het FSC-label zwaar onder vuur nadat journalisten Leopold Broers en An-Katrien Lecluse de minder fraaie praktijken blootlegden van de papiergigant Veracel (joint venture van Stora Enso). Hun grootschalige eucalyptusplantages in Brazilië hebben het FSC-label gekregen ondanks het gebruik van schadelijke pesticiden, het niet respecteren van de rechten van de inlandse bevolking en het overtreden van de Braziliaanse wetgeving. Dit deed meteen de fundamentele vraag rijzen of dergelijke plantageteelt wel kan gecertificeerd worden als “duurzaam bos”?
WWF ligt ook aan de basis van het MSC (Marine Stewardship Council) dat sinds 1999 “groene” labels toekent aan vis op voorwaarde dat duurzame vangsttechnieken worden toegepast. Wereldwijd zijn er ondertussen 103 visserijen gecertificeerd goed voor 7% van de wereldvisvangst. Maar ook dit label heeft al veel kritiek te verduren gekregen. Greenpeace heeft, samen met een aantal wetenschappers, fel geprotesteerd tegen het certificeren van visvangst op soorten waarvan de stocks sterk onder druk staan. Dit zou de geloofwaardigheid van het label zwaar ondermijnen en een bedrieglijk beeld voorspiegelen aan de consument. Zo was er felle discussie over het toekennen van het MSC-label voor het vissen op de Atlantische IJsvis en ook de certificering van vangsten van heek, Arctisch kril, Atlantische makreel, tonijn en zwaardvis waren al voorwerp van geanimeerde discussie.
In september 2010 publiceerde WWF het rapport “Certification and roundtables: do they work?” (http://assets.wwf.org.uk/downloads/wwf_certification_and_roundtables_briefing.pdf) met als belangrijkste onderzoeksvraag of de multi-stakeholdersinitiatieven waaraan ze deelnemen, effectieve resultaten opleveren op economisch, ecologisch en sociaal vlak. De conclusies van het rapport zijn niet eenduidig. De economische meerwaarde ligt vooral in het bereiken van meer efficiëntie binnen de productieketen, maar de gecertificeerde producten bedienen vooral niche-markten waardoor de impact beperkt is. De ecologische meerwaarde ligt in een meer duurzaam beheer maar of dit ook op lange termijn effecten heeft op de biodiversiteit en het leefmilieu is veel minder duidelijk. Wel wordt vastgesteld dat certificering in de betrokken landen soms aanleiding geeft tot een verstrenging van de wetgeving en een betere controle. Ook de sociale meerwaarde is dubbel. Meestal is er tengevolge van de certificering wel een verbetering van de werkcondities voor de arbeiders maar een directe armoedevermindering in de betrokken gemeenschap is niet direct meetbaar. De hoge certificeringskosten zijn wel een belangrijke rem voor participatie van kleine producenten. Het blijft dus eerder een zaak van de grote marktspelers.
In ieder geval concludeert WWF dat “groene labels” slechts één instrument zijn en dat dit dus geen allesomvattende oplossing is voor het duurzamer maken van de productieprocessen. Complementaire acties zijn nodig met als belangrijkste een goede wetgeving, een goede controle en dus een sterke overheid. Ook in de toekomst willen ze zich blijven richten op de “big players” (bijv. Unilever, Coca-Cola…) omdat pas dan een impact op grote schaal mogelijk is. Een beetje in tegenstrijd met voorgaand principe, betreurt WWF de beperkte vertegenwoordiging van de kleine producenten waardoor hun belangen onvoldoende aan bod komen bij het overleg. Tenslotte stelt WWF zelf vast dat er te weinig instrumenten ter beschikking zijn om de free-riders te penaliseren en goede leerlingen te belonen wat een hypotheek legt op de geloofwaardigheid van het systeem.
Opmerkelijk en spijtig is dat in het WWF-rapport geen enkele allusie wordt gemaakt op de belangrijke controverses die bestaan ten aanzien van de criteria die gehanteerd worden voor het toekennen van bepaalde labels. Het gebruik van ggo’s, het toelaten van grootschalige plantageteelt, het negeren van het vorig bodemgebruik, de zwakke eisen op vlak van teelttechniek, het zijn maar een paar voorbeelden van principiële discussies die schijnbaar onder de mat worden geveegd.
Het ene ecolabel is het andere niet
Wereldwijd zijn er ontelbare labels in omloop en allemaal willen ze duidelijk maken dat hun gelabelde product “bijzonder” is. Een inventaris, opgemaakt in 2009, telde een 600-tal labels die op één of andere manier de notie “milieuvriendelijkheid en/of duurzaamheid”vertolken. Je zou dus van minder het bos door de bomen niet meer zien!
Al deze labels hebben als bedoeling de consument -en in bepaalde gevallen de overheid- te overtuigen dat hun product “groener” is dan de concurrentie en dat aankoop ervan een duurzame wereld een stapje dichterbij brengt. Veelal is de consument bereid omwille van die belofte iets meer te betalen voor het gelabelde product. Absolute voorwaarde is dan wel dat er sluitende garanties zijn dat de labels betrouwbaar zijn en dat dus de beloofde duurzaamheidstandaarden correct worden toegepast op het terrein. Dit is in de praktijk een probleem. Door het World Resources Institute (http://pdf.wri.org/2010_global_ecolabel_monitor.pdf) werden 350 ecolabels onderzocht op hun kwaliteit en daaruit bleek dat zowel de transparantie op het vlak van toegepaste criteria als de controle problematisch zijn. Er was ook weinig bereidheid tot samenwerking om tot een grotere eenvormigheid te komen. En de monitoring van de effecten op het terrein staat zeker nog in de kinderschoenen.
De betrouwbaarheid van ecolabels is dus niet altijd gegarandeerd. Veel hangt af van de motivatie en de context van de certificering. Zo is er een zeer groot verschil tussen de labels die gebaseerd zijn op duidelijke en strikte wettelijke bepalingen en de labels die door de sector zelf worden uitgewerkt met als bedoeling hun positie op de markt te versterken.
Om dit met een concreet voorbeeld te illustreren: biologisch producten komen bij ons op de markt met het label “biogarantie”en dit wordt enkel toegekend wanneer de toegepaste teelttechnieken beantwoorden aan een uitgebreide reglementering, gebaseerd op Europese richtlijnen. De controle is streng en gebeurt door gecertificeerde instanties. Er is dus weinig discussie over de criteria, de principes en de betrouwbaarheid.
Labels zoals “Rainforest Alliance Certified” of “Fair Trade” hebben ook een hoge graad van betrouwbaarheid omdat het globale keurmerken zijn die toegekend worden aan uiteenlopende producten op basis van algemene duurzaamheidprincipes uitgewerkt door ngo’s die daar geen rechtstreeks economische belang bij hebben.
Twijfel is er vooral over labels waar de betrokken producenten, distributeurs en financiers een dikke vinger in de pap hebben bij het opstellen van de voorwaarden, omdat zij in de eerste plaats de bedoeling hebben hun marktaandeel veilig te stellen of te vergroten of andere economische doelstellingen nastreven.
Andere spelregels zijn nodig
Ecolabels zijn een bijzonder nuttig instrument wanneer ze een meerwaarde creëren ten opzichte van algemeen aanvaarde productietechnieken, dus wanneer ze verder gaan dan wat wordt beschouwd als minimale basisvoorwaarden voor een gezonde en duurzame teelttechniek.
Wanneer echter “groene” labels worden toegekend aan discutabele teeltwijzen die zelfs nog onder de lat gaan van wat als evident wordt beschouwd, dan is er een groot probleem.
Niet alleen wordt daardoor het consumentenvertrouwen zwaar geschaad, het ganse systeem van ecolabeling wordt mee onderuit gehaald.
Bij een aantal nieuwe “groene” labels voor landbouwproducten die zwaar onder vuur liggen omwille van hun ecologische en sociale impact, kunnen ernstige vragen gesteld.
Voor een aantal van deze labels worden criteria gehanteerd die zeker de duurzaamheidtoets niet kunnen doorstaan, waardoor de geloofwaardigheid van de certificering sterk ondermijnd wordt. De labels “Verantwoorde Soja” en “Duurzame Palmolie” zijn de meest frappante voorbeelden.
In landen waar corruptie welig tiert en waar geen sterke staatsstructuur aanwezig is, blijkt ook de controle en dus de betrouwbaarheid van de labels ondermaats te zijn. Daar is in de eerste plaats een strenge wetgeving én een striktere handhaving nodig om misbruiken te voorkomen.
Het principe van het multistakeholdersoverleg waarbij producenten, distributeurs, financiers en middenveldorganisaties samen rond de tafel zitten is op zich een goede zaak, al is het maar omdat dan een gezamenlijk besef kan groeien over het niet-duurzaam karakter van bepaalde teelten en in het beste geval ook een gezamenlijke intentie kan ontstaan om de problemen aan te pakken.
Dat daarbij ingezet wordt op voorlichting en intensieve campagnes naar landbouwers om meer duurzame teelttechnieken te promoten, zoals met het Better Cotton Initiative, is positief.
Wanneer echter dergelijke overlegstructuren de uiteindelijke beslissing nemen over bindende duurzaamheidscriteria voor ecolabels liggen de kaarten toch enigszins anders. Dan bestaat het gevaar dat economische belangen en de strijd voor een gegarandeerd marktaandeel de bovenhand krijgen ten koste van duurzaamheid.
Wanneer verdoken agendapunten achter de schermen een grote rol spelen, zoals het verkrijgen van koolstofkredieten voor plantageteelt, het veilig stellen van de Europese afzetmarkt, het meer acceptabel maken van genetisch gemodificeerde gewassen… dan komt dit multistakeholdersoverleg in een ander vaarwater terecht en zal ook het middenveld meer en meer afhaken.
We zullen het dus over een andere boeg moeten gooien!
Wat is het alternatief? Het ideale model is dat er een internationale consensus komt over afdwingbare minimumvoorwaarden waaraan landbouwpraktijken moeten voldoen om de duurzaamheidstoets te doorstaan. Een soort “sustainability code” voor de landbouw wereldwijd. Deze code zou dan in elk land of regio moeten omgezet worden in eigen wetgeving met garanties van volwaardige controle en sanctionering bij overtreding. Het sluitstuk is dat voor wie niet aan deze voorwaarden voldoet, de grenzen worden afgesloten voor import of dat er financiële sancties volgen.
Bovenop deze “basis-sokkel” kunnen producenten die verder gaan dan de vastgelegde minimumvoorwaarden een geloofwaardige ecolabel krijgen als beloning voor de extra inspanning. Daardoor kan ook een betere prijs bekomen worden voor het product of kan de overheid financiële ondersteuning geven.
Dit is een theoretisch model dat een soort droomscenario vertolkt en allicht door sommigen meteen als onrealistisch van de kaart zal worden geveegd.
Dit staat immers volledig haaks op de principes van de neoliberale vrije markt die o.m. door de W.T.O. hoog in het vaandel worden gedragen.
Nochtans is er geen andere uitweg…
Misschien moet er toch eens werk gemaakt worden van een echte “World Feed Organisation” met dezelfde bevoegdheid als de WTO, maar met totaal andere spelregels waarbij voedselveiligheid en duurzaamheid de leidende principes zijn.
Het blijven rommelen in de marge en onze ogen sluiten voor het feit dat we in het Westen landbouwproducten importeren waarvan de teelt mee verantwoordelijk is voor de vernietiging van het ecosysteem aarde brengt ons in een nefaste spiraal naar beneden.
Doordoen zoals we bezig zijn en dan een aantal landbouwproducten overgieten met een fletsgroen sausje via onbetrouwbare groene labels is niet alleen greenwashing van de bovenste plank, het is een scenario dat uiteindelijk de toekomst van de planeet verder op het spel zet.
Vera Dua







