Themagroepen

Binnen Terra Reversa zijn er diverse groepen actief rond specifieke thema’s die van belang zijn in het kader van duurzame ontwikkeling, ecologische economie en sociale rechtvaardigheid.

Naast actieve leden van Terra Reversa bestaan deze groepen uit externen en specialisten in de betreffende onderwerpen.

Volgende groepen zijn actief: Ethiek, Landbouw, Transitienetwerk middenveld, Bevolking, Ecologische economie, Biodiversiteit, Cultuur. Je vindt ze hierbij.

Transitienetwerk middenveld

Contactpersoon: peter.jones@terrareversa.be

Terra Reversa is er van overtuigd dat we een fundamentele systeemcrisis doormaken. Onze mondiale economie overschrijdt de draagkracht van de aarde en is sociaal onrechtvaardig. Verder doen zoals we bezig zijn voert ons onvermijdelijk naar een ecologische, economische en sociale ineenstorting tegen pakweg 2050. De enige uitweg is dus een systeemverandering. We moeten zo snel mogelijk en met zoveel mogelijk mensen en middelen een sociaalecologische economie uitbouwen. De ecologische dimensie is dat de economische ontwikkeling moet gebeuren binnen de grenzen van het ecosysteem aarde. Tegelijk, en dat is de sociale dimensie, moet zij voor de nodige welvaart zorgen om aan de gerechtvaardigde behoeften van alle wereldburgers te voldoen.

Voor een welvarend land als het onze betekent dit dat de impact van onze economie met een factor 10 moet worden teruggedrongen. Dat wil zeggen dat we een vergelijkbaar niveau van welzijn moeten creëren met tienmaal minder uitstoot van CO2 en met tienmaal minder materiaalgebruik. Een immense maar wel haalbare opdracht.

Om die sociaal-ecologische economie te realiseren zijn radicale veranderingen nodig. Het gaat eigenlijk om een revolutie die een lange, volgehouden inspanning vergt van de ganse samenleving. We moeten onze huidige economie volledig ombouwen en omschakelen op zowat alle terreinen: mobiliteit, energieopwekking,, voedselproductie, toerisme maar ook fiscaliteit, werk, sociale zekerheid. Alleen zo kunnen we belanden in een nieuw en goed functionerend systeem.

Dat hele proces noemen we en die moet sociaal en democratisch zijn. Overheid, bedrijfsleven, verenigingen, burgers… kunnen allen motor zijn van verandering. Het is daarbij essentieel dat het middenveld zich sterk organiseert en het transitieproces mee op gang trekt. Een sterk middenveld kan zowel de politiek als het bedrijfsleven ertoe dwingen om de noodzakelijke ecologische economie ook sociaal te maken.

Onder impuls van Terra Reversa wordt momenteel gewerkt aan de uitbouw van een eigen transitienetwerk. De allereerste en noodzakelijke stap is dat het middenveld het erover eens is welke transitie er moet komen, daarna kan een transitietraject worden uitgewerkt met als doel die sociaal-ecologische economie te realiseren

(gebaseerd op een tekst van Dirk Barrez)

Leden Transitienetwerk

Dirk Barrez (journalist De Wereldmorgen en auteur)

Erik Béatse (Regionaal Instituut voor Samenlevingsopbouw Vlaams Brabant – RISO VlB)

Ward Bosmans (Terra Reversa)

An De Bisschop (Demos –kenniscentrum voor participatie en democratie. Knooppunt van visies op participatie in het Vlaams cultuur, jeugdwerk en sportbeleid)

Kristof Debrabandere (Bond Beter Leefmilieu – BBL)

Ann Demeulemeester (ACW)

Guy Gypens (Kaaitheater)

An Heyerick (Vlaams Overleg Duurzame Ontwikkeling - VODO)

Peter Tom Jones (KULeuven en auteur)

Erik Paredis (Universiteit Gent, Centrum voor Duurzame Ontwikkeling – CDO)

Sandra Rosvelds (studiedienst ACW)

Lieve Schreurs (Triodos bank)

John Vandaele (Journalist bij MO en auteur)

Pieter Verbeek (studiedienst Vlaams ABVV)

Mieke Vercaeren (Colruyt)

Jan Wyckaert (Vredeseilanden)

Interview Peter Tom Jones

Het Vlaamse middenveld werkt aan transitie

30 juni 2010 (MO) - Slechts weinigen ontkennen nog dat we naar een andere, groene economie moeten. Alleen blijkt dat makkelijker gezegd dan gedaan. In Vlaanderen loopt de overgang naar een andere economie niet van een leien dakje. Dat legde ingenieur en auteur Peter Tom Jones haarscherp bloot in zijn boek Terra Reversa. Om meer beweging te krijgen, nam hij het initiatief tot een zogenaamd transitienetwerk van het middenveld.

Wat is een transitienetwerk van het middenveld?
PTJ: ‘Dit netwerk verenigt mensen met visie uit diverse hoeken van het progressieve middenveld.* Het betreft zowel de klassieke sociale bewegingen als wat wij de “vloeibare” of niet-georganiseerde civiele samenleving noemen. Het netwerk streeft een evenwicht na tussen eerder autonome systeemdenkers en zwaarwichtige figuren uit het klassieke middenveld, genre Ann Demeulemeester (algemeen secretaris ACW), Caroline Copers (algemeen secretaris ABVV) of professor Hans Bruyninckx (voorzitter Bond Beter Leefmilieu). We trachten alle belangrijke thema’s mee te nemen: arbeid, milieu, Noord-Zuid, cultuur... Het cement tussen de deelnemers is dat we allen pleiten voor een sociaal-rechtvaardige overgang naar een ecologisch duurzame samenleving in een mondiaal perspectief.’

Wat wil het netwerk precies doen?
PTJ: ‘We stellen vast dat de bestaande transitieprocessen dreigen te verglijden in technocratische acties, waarbij het sociale aspect veronachtzaamd wordt. Vanuit die optiek riepen Vicky De Meyere en ikzelf in Terra Reversa op om een visionair transitienetwerk van het middenveld op te richten. Het netwerk ziet voor zichzelf vier centrale functies: het ontwikkelen van een gedeeld en samenhangend streefbeeld (rechtvaardige duurzaamheid); leren van elkaar; het werken aan een groter draagvlak voor een rechtvaardige transitie; en het beïnvloeden van beleidsprocessen van overheden en bedrijven, en zeker ook van bestaande transitieprocessen.’

 Wat kan het middenveld dat de politiek niet kan? 
PTJ: ‘Helaas is “de politiek” doorgaans reactief: het gaat vooral om het behartigen van korte termijn, particuliere belangen. Moeilijker maatregelen lonen electoraal niet. Een transitie vereist echter een proactieve politiek die gedurfde acties onderneemt. De enige manier om die impasse te doorbreken, is ervoor te zorgen dat het draagvlak voor een transitie groter wordt. Zo hopen we op een positieve spiraal waar het grotere draagvlak ook zorgt voor meer durf bij beleidspartijen, waardoor het draagvlak opnieuw vergroot. Het progressieve middenveld heeft hier een historische rol te spelen. Het kan het draagvlak voor een transitie leveren in ruil voor het rechtvaardig maken ervan.’

Wat is de relatie met het bedrijfsleven?
PTJ: ‘In het netwerk zitten brugfiguren naar dat deel van de bedrijfswereld dat maatschappelijk verantwoord ondernemerschap ernstig neemt. Uiteindelijk zal iedereen moeten samenwerken in de transitie: overheden, academici, bedrijfsleven en de civiele samenleving.’

nvdr: ook John Vandaele, auteur van dit artikel, maakt deel uit van het netwerk.

Interessante links

Transitienetwerk Vlaanderen: http://www.transitie.be/r/transitienieuws
CDO: http://www.cdo.ugent.be/index.html

Steunpunt Duurzame Ontwikkeling: http://www.steunpuntdo.be/SDO_homepage_ned.htm

VODO: http://www.vodo.be/

Interesse om mee te werken?

Ben je geïnteresseerd in de activiteiten van het Transitienetwerk Middenveld? Neem dan contact op met Peter Tom Jones

Ethiek

Contactpersoon: alma.dewalsche@terrareversa.be
andre.bogaert@terrareversa.be

Bij de start van Terra Reversa is een werkgroep ontstaan die de ecologische problematiek vanuit een ethische invalshoek wil overdenken.

Ondertussen werd een tekst uitgewerkt “Een pleidooi voor ethische bedachtzaamheid” als voorlopig resultaat van onze exploraties waarin onze visie wordt weergegeven op ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid.
De werkgroep ethiek probeert hiermee in grote lijnen een ethisch referentiekader uit te tekenen ter oriëntatie van een samenleving die ecologische duurzaamheid op mondiaal vlak met sociale rechtvaardigheid verbindt.
In het eerste deel motiveren we de urgentie van de vraag naar zo'n ethisch referentiekader (I). Daarna presenteren we de contouren van dit kader (II).
In een apart luik lichten we concreter toe hoe voor diverse thema’s (TR) dit ethisch kader als onderbouw kan dienen.

Omdat de huidige wereld niet in het minst getypeerd wordt door de snelheid van de veranderingen die er in plaats grijpen, is deze tekst uitdrukkelijk bedoeld als een 'werkdocument'. Onder die naam staat hij vanzelfsprekend open voor nuancering, bijstelling, verandering en vervollediging.

Een pleidooi voor etische bedachtzaamheid

Bij de start van Terra Reversa is een werkgroep ontstaan die de ecologische problematiek vanuit een ethische invalshoek wil overdenken.

Het voorliggend document is het voorlopig resultaat van onze exploraties en geeft in essentie onze visie weer op ecologische duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid.
De werkgroep ethiek probeert hiermee in grote lijnen een ethisch referentiekader uit te tekenen ter oriëntatie van een samenleving die ecologische duurzaamheid op mondiaal vlak met sociale rechtvaardigheid verbindt.
In het eerste deel motiveren we de urgentie van de vraag naar zo'n ethisch referentiekader (I). Daarna presenteren we de contouren van dit kader (II).
In een apart luik lichten we concreter toe hoe voor welke thema’s van Terra Reversa (TR) dit ethisch kader als onderbouw kan dienen.

Omdat de huidige wereld niet in het minst getypeerd wordt door de snelheid van de veranderingen die er in plaats grijpen, is de onderstaande tekst uitdrukkelijk bedoeld als een 'werkdocument'. Onder die naam staat hij vanzelfsprekend open voor nuancering, bijstelling, verandering en vervollediging.

I. De vraag naar een etisch kader

 

1.1 Uitgangspunt: de urgentie van ecologische rechtvaardigheid

 

De globale situatie waarin we vandaag moeten handelen omvat een tweevoudige crisis die in de idee van de ecologische voetafdruk scherp wordt gesteld.

De ecologische crisis van het mondiale leefmilieu betekent vooreerst in algemene termen dat we "met zijn allen" op te grote voet leven. Als mensheid gebruiken we meer natuurlijke hulpbronnen dan er duurzaam beschikbaar zijn. Die overschrijding van de milieugebruiksruimte wordt de ecologische ‘overshoot’ genoemd. Volgens het Living Planet Report van 2010 hadden we op 21 augustus al ons ecologisch kapitaal van dit jaar opgebruikt, wat volgens de berekeningen van de Living Planet Index gemerkt wordt als World Overshoot day.

Tezelfdertijd doet de algemeenheid van het gezegde dat we "met zijn allen" op te grote voet leven duidelijk onrecht aan de grote groep mensen die van dag tot dag verwikkeld zijn in de strijd om het loutere overleven. Daarom gaat de ecologische bekommernis intrinsiek gepaard met de kwestie van sociale rechtvaardigheid, zowel binnen afzonderlijke landen als tussen deze landen, op mondiale schaal. Een wereldwijde vergelijking inzake ecologische voetafdruk toont aan dat zowel de toegang tot als ook het gebruik van natuurlijk hulpbronnen tussen de landen zeer ongelijk verdeeld is. Bovendien heeft de neoliberale globalisering een groeiende kloof tussen arm en rijk veroorzaakt. Elke poging om deze kloof te dichten binnen het traditionele paradigma van sociale politiek is in een situatie van ecologische overshoot tot mislukken gedoemd. Binnen dit paradigma veronderstelt een ruimere verdeling van de maatschappelijke koek immers het bakken van een grotere koek. Dit traditionele model is echter achterhaald omdat het geen rekening hield met de ecologische grenzen die intussen objectief in beeld zijn gekomen. We kunnen dat model dan ook niet langer hanteren zonder een ineenstorting van het huidige ecosysteem te riskeren, met alle gevolgen van dien voor een leefbare samenleving. Precies op dit punt situeert zich de nieuwe uitdaging nu de eindige aarde voor het eerst haar grenzen zo duidelijk aan ons kenbaar maakt.

Anders gezegd: we zijn terecht gekomen in een impasse. Het huidige productie- en consumptiesysteem botst aan tegen ecologische grenzen die de aloude kwestie van een sociaal rechtvaardige verdeling radicaliseren. Om deze samenhang duidelijk voor ogen te houden spreken we van een ‘sociaal-ecologische crisis’. Die crisis roept de vraag op naar een ‘ecologische rechtvaardigheid’ (ecological justice), waarin een rechtvaardige verdeling van de toegang tot hulpbronnen centraal staat. Maar heeft deze vraag nu uitsluitend betrekking op de menselijke soort? Of omvat ze ook andere soorten? De notie van een ‘ecologische rechtvaardigheid’ kan immers ook slaan op de juiste verhoudingen tussen mensen en andere soorten. Wij vragen ons minstens af of tussen die beide betekenissen van ecologische rechtvaardigheid misschien een intrinsieke samenhang bestaat.

De inzet is alleszins dat het legitieme streven naar welvaart en welzijn het 'natuurlijk kapitaal' in acht neemt, waarvan die streving afhankelijk is. Deze inzet vereist minstens 1. een verregaande dematerialisering van de economie, o.a. via een grote efficiëntieverbetering in de omgang met natuurlijke hulpbronnen; 2. een rechtvaardige verdeling van welvaart en 3. een nieuwe visie op welzijn. Dat alles betekent niets minder dan een transitie naar een andere samenlevingsvorm die geen enkel domein van de samenleving onaangeroerd laat.

Vanuit de mondiale sociale beweging wordt die transitie beschreven als een wereldwijd proces van ‘contractie en convergentie’: het globale milieubeslag per capita moet omlaag (contractie), terwijl tegelijkertijd de ecologische voetafdruk van minder ontwikkelde landen nog mag toenemen. Het einddoel is een gelijk welvaartsniveau (convergentie) dat rekening houdt met de draagkracht van de planeet. Dit doel is tevens een vertaling van het ethische principe van een ‘gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid’. Dat houdt hier in dat bij het terugdringen van het overmatige beslag op het milieu de geïndustrialiseerde landen een grotere bijdrage moeten leveren, wil het proces ook rechtvaardig zijn.

Het begrijpen van ecologische rechtvaardigheid als een proces van contractie en convergentie vormt voor Terra Reversa het kader waarbinnen ook andere maatschappelijke vraagstukken beantwoord moeten worden.

 

1.2 De vraag naar ethiek in huidige crisistijden

Al kunnen we de uitdaging duidelijk formuleren, het zoeken naar een ethisch kader was een moeizaam proces. Daarbij deden we enkele cruciale vaststellingen die van belang zijn voor de aard van het kader dat we verderop voorstellen.

1. Je kan vandaag niet spreken over ‘dé ethiek’:
- Er zijn vele soorten ethiek, op verschillende maatschappelijke domeinen, die mogelijk maar niet noodzakelijk kunnen samengaan. Voor Terra Reversa gaat het om de bewogenheid voor een ecologisch duurzame en sociaal rechtvaardige samenleving.
- Evenmin is het mogelijk om in onze complexe en voortdurend veranderende samenleving eenvoudigweg ‘gedragsregels voor goed en kwaad’ op te stellen. Op vele vlakken kunnen we vandaag moeilijk inschatten wat 'goed' of 'kwaad' is en welke precies de consequenties van bepaalde keuzes zullen zijn. Op de VN Aardetop in Rio werd daarom gekozen voor ‘het voorzorgsprincipe’. Als werkgroep ethiek opteren wij voor een benadering van ‘ethische bedachtzaamheid ’, i.p.v. zoiets als ‘regels voor een nieuwe mondiale ethiek’.

2. De notie ‘ethische verantwoordelijkheid’ is problematisch geworden:
Samen met Koo van der Wal (cf. Wat is er met de ethiek gebeurd?) stellen wij ons de vraag “of er in onze samenleving nog ruimte is voor ethiek”. Er is zeker nood aan, maar de ruimte om die te formuleren en erover te praten, en om die dan ook nog te laten gelden, is helemaal niet meer evident. Ethische verantwoordelijkheid in de klassieke zin vraagt immers om een herkenbare relatie tussen handeling en gevolg (individuele gedragingen en de gevolgen daarvan), en die relatie is door de complexiteit van onze wereld onklaar geworden.

3. Het gangbare appel aan het eigenbelang:

In het ecologisch discours horen we vaak dat we 'allemaal in hetzelfde schuitje' zitten. Onder dat motto wordt dan benadrukt dat de crisis vanwege haar globale omvang eenieder aanbelangt. En dus zou het loutere eigenbelang als motivatie kunnen volstaan om de enkeling binnen zijn mogelijkheden tot handelen te motiveren. Ondertussen weten we dat het nastreven van eigenbelang niet automatisch het belang van allen bevordert. Daarom is er nood aan een verantwoordelijkheid die ook het nieuwe probleem van ecologisch onrecht voor ogen houdt. Een vernieuwde ethiek dient o.i. dieper te grijpen dan het utilitaire beroep op het eigenbelang en uit te gaan van een diepere betrokkenheid. ‘Lotsverbondenheid’ lijkt ons daarvoor een goede uitdrukking.

Bovenstaande opmerkingen impliceren niet dat we pessimistisch moeten zijn over de mogelijkheden om deze ethische bedachtzaamheid in te brengen in de keuzes die vandaag gemaakt moeten worden. In de mondiale debatten is daar wel degelijk ruimte voor. Het Kyoto protocol erkent dat de rijke landen een grotere verantwoordelijkheid hebben in het klimaatprobleem en dus een grotere inspanning moeten leveren; en bij de post-Kyoto besprekingen in de VN wordt momenteel gewerkt aan een “shared vision” voor Noord en Zuid, en aan een ‘rechtvaardige’ benadering om landen in het Zuiden ontwikkelingskansen te geven.

Ook het huidige crisismoment draagt kansen in zich voor een nieuw ontwikkelingsparadigma, nieuwe financiële systemen, … een nieuwe wereldorde waarin opnieuw gesproken kan worden over grenzen, beheersbaarheid en verantwoordelijkheid. Wij menen dat Terra Reversa de opdracht heeft om zulke kansen zichtbaar te maken en om initiatieven die her en der groeien onder de aandacht te brengen en aldus te bevorderen.

1.3 Wereldwijde uitdagingen voor de hedendaagse samenleving

Naast de randvoorwaarden voor een ethisch spreken, moeten we ook de grote uitdagingen van de hedendaagse samenleving juist inschatten.. Vanwege hun enorme impact vragen zij alleszins om een vernieuwde ethische bedachtzaamheid.

 

Een geglobaliseerde wereld, een ‘glokale’ werkelijkheid
In toenemende mate zijn we ons bewust geworden van de wereldwijde context waarin we leven. De mogelijke spanning tussen lokale, onmiddellijke ervaringen en de globale, mondiale omgeving komt meer en meer tot uiting. We leven in een zogenaamd “glokale” werkelijkheid waarin lokale gemeenschappen niet alleen hun eigen onmiddellijke omgeving maar ook de wijdere wereld beïnvloeden. Het duidelijkste voorbeeld is de door mensen veroorzaakte (antropogene) globale opwarming van onze planeet.
Tegelijk bouwen we in toenemende mate ook internationale organisaties en netwerken uit die de traditionele geografische grenzen overstijgen en nieuwe sociale, economische en politieke machtsverhoudingen uittekenen. Deze evolutie doorkruist de vertrouwde politieke en maatschappelijke denkkaders en kan onrust brengen wanneer mensen en gemeenschappen hun eigen identiteit willen bekrachtigen.
Globaliseringsprocessen en wereldwijde verwevenheid beïnvloeden dus op hun beurt mensen ook in hun concrete en onmiddellijke levensomstandigheden. Contactmogelijkheden nemen toe, waardoor er nieuwe communicatieve verbanden tot stand komen. Binnen deze verbanden wordt ook weer nieuwe gemeenschappelijke kennis ontwikkeld.
Deze vruchtbare mogelijkheden staan in schril contrast tot een groeiend besef van grenzen en beperkingen. Mens en natuur of mensen onderling komen daardoor soms als concurrenten in een machtsstrijd tegenover elkaar te staan, zodat de rijkdom of opportuniteiten voor de ene, meteen ook armoede en minder kansen voor de anderen betekenen. Door geen aandacht te schenken aan deze beperkingen ontstaan ongezien complexe en meer geraffineerde vormen van onrecht, uitbuiting, geweld.
De nieuwe 'glokale' levenscontext stelt een aantal politieke, sociaal-maatschappelijke, economische en wereldbeschouwelijke uitdagingen. De groeiende complexiteit van de verhoudingen tussen mensen en natuur en tussen mensen onderling is ook een uitdaging voor de traditionele ethische reflectie.

 

Onrechtvaardig en niet duurzaam
Vele aspecten van de thans heersende mondiale samenlevingsvormen van mensen onderling en tussen mens en natuur zijn onrechtvaardig en niet duurzaam. Onrechtvaardig betekent dat in tussenmenselijke relaties het aanzien, de macht of de rijkdom van de ene ten koste gaat van anderen die arm en zonder (gewichtige) stem in de marges van de samenleving leven. Onrechtvaardig is het ook wanneer de natuur geïnstrumentaliseerd wordt en ondergeschikt aan de ongebreidelde bezits- of machtsdrang van mensen die hun inbedding in de natuur miskennen. Duurzaamheid verwijst naar de individuele en maatschappelijke inspanningen om met de natuur en de natuurlijke goederen zodanig om te gaan dat de eigen levenswijze niet ten koste gaat van 'de anderen' waartoe ook toekomstige generaties behoren". De ecologische crisis is daarom ook een crisis van sociale rechtvaardigheid: een sociaal-ecologische crisis.

 

Economisch-financiële denkschema’s, gefocust op economische groei
Deze problematische samenlevingsvormen vloeien voort uit al dan niet bewuste, in maatschappelijke gebruiken, instellingen en structuren geconsolideerde referentie- en interpretatiekaders. Die leggen de nadruk op de financiële waarde als enig meetinstrument voor wat waardevol is, op winstbejag en machtsposities als criteria voor maatschappelijke status, en op ongeremde materiële groei. Deze dominante interpretatiekaders zijn gebaseerd op een simplistische logica volgens de welke het wereldgebeuren het best gevat en geregeld wordt door op groei gerichte neoliberale kapitalistische modellen. Deze logica houdt nauwelijks rekening met vragen over duurzaamheid en biedt weinig ruimte voor democratische besluitvormingsprocessen. Nochtans zijn die belangrijk om de louter economische denkpatronen in een ruimere maatschappelijke context te situeren, te sturen en op duurzaamheid af te stemmen, in het bijzonder wanneer ze als zogezegd onaanvechtbare wetmatigheden gebruikt worden om particuliere belangen te dienen.

 

1.4 Verantwoordelijkheid opnemen

Vele politici en andere beleidsmakers miskennen het belang van hun opdracht om initiatieven tot maatschappelijk overleg en debat - en zo nodig maatschappelijke strijd – in gang te steken, te ondersteunen en te begeleiden. Ze onttrekken zich aan hun verantwoordelijkheid door zich te verschuilen achter economische wetmatigheden en juridische procedures. Die situatie moet gekeerd worden.

De uitdaging om, te midden van een wereldwijde levensbedreigende sociaal-ecologische crisis, tot een politieke praxis te komen, gekenmerkt door zowel maatschappelijk overleg als conflict, vraagt om ethische ernst en bedachtzaamheid. Dit behelst de kunst om vragen te stellen die de verantwoordelijkheden en handelingen van individuen, gemeenschappen en samenlevingen verhelderen en op hun achtergronden en motivatie onderzoeken.

Ernst en bedachtzaamheid betekenen dus ook dat deze processen van overleg en conflict niet louter op juridisch-procedurele wijze kunnen afgehandeld worden ; ze zijn immers kwetsbaar omdat mensen zich kunnen vergissen en omdat ze niet de vorm hebben van problemen die op een eenduidig juiste manier opgelost kunnen worden.

Democratische overleg- en besluitvormingsprocessen moeten rekening houden met het principe van een gedeelde, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid. Niet alle landen/volkeren/mensen hebben in dezelfde mate bijgedragen aan het ontstaan van de ecologische crisis. Voor vele problemen zijn de grootste slachtoffers net zij die het minste aandeel hadden in hun totstandkoming. Dat met het oog op een gedeelde toekomst slachtoffers en veroorzakers een verschillende morele verantwoordelijkheid dragen, bemoeilijkt zowel het ethische overleg als het bereiken van gemeenschappelijk gedragen politieke beslissingen. Voor Terra Reversa ligt hier alleszins een aangrijpingspunt om op de grote verantwoordelijkheid van de eigen Europese samenleving te wijzen.

Ethische ernst en bedachtzaamheid in maatschappelijke keuzeprocessen

Hieronder brengen we enkele thema’s aan die Terra Reversa ter harte gaan en die deel uitmaken van het huidige maatschappelijke debat in mondiaal perspectief. We schetsen in het kort de discussiepunten in verband met de klimaatproblematiek, de biodiversiteitscrisis, en de landbouw- en voedselcrisis. Dit is slechts een greep uit een brede waaier van mondiale ecologische vraagstukken die een diepgaande reflectie vereisen en beleidsmaatregelen ingegeven door ethische ernst en bedachtzaamheid.

We schetsen in het kort het probleem en geven vervolgens aan hoe de gangbare aanpak verloopt. Daaruit blijkt hoe die aanpak ingebed zit in het gangbare denken, in “het verlokkelijke denkkader dat controlerende macht beoogt”. Bedoeling is om deze gangbare aanpak te confronteren met een benadering vanuit ethische ernst en bedachtzaamheid, “een weloverwogen houding die zorgzame en gezamenlijke verantwoordelijkheid belichaamt”.

1. De klimaatproblematiek

Uitgangspunt:
De atmosfeer is uniek. Ze maakt onze planeet uniek in het universum en leefbaar voor planten, dieren en mensen. De atmosfeer en het klimaat zijn het ultieme gemeenschapsgoed waarvoor we allen zorg moeten dragen.

Het probleem:
Toch leert de wetenschap ons, sinds enkele decennia, dat die atmosfeer grondig vervuild is en dat de mensheid kampt met het fenomeen van de globale opwarming van het klimaat. Het vorige IPCC-rapport (2007) stelt - met vijfennegentig procent zekerheid- dat deze globale opwarming veroorzaakt wordt door de uitstoot van broeikasgassen en dat dit proces op gang gebracht is door menselijke activiteiten. De industriële revolutie heeft de uitstoot van broeikasgassen in een stroomversnelling gebracht, vooral sinds 1950.

De rijke landen zijn verantwoordelijk voor drie vierde van de CO2 uitstoot in de atmosfeer. Afrika is verantwoordelijk voor slechts vier procent van de uitstoot.
De impact van die opwarming is vandaag al voelbaar. Vooral het Zuiden, grote rivierdelta’s en kleine eilandstaten worden nu al getroffen.
Het Zuiden is op die manier het eerste slachtoffer van een probleem dat het zelf niet heeft veroorzaakt en waar het ook alleen geen oplossing voor kan vinden.

Intussen nemen de emissies toe, vooral in de groeilanden zoals China en India. Het is een mondiaal probleem dat intrinsiek verweven is met de manier waarop wij ontwikkeling en cultuur vorm hebben gegeven op deze planeet. Het heeft betrekking op alle domeinen van ons leven: de lucht die we inademen, de bodem waarop we voedsel telen, het water dat we drinken. Onze manier van produceren en consumeren, van wonen, ons verplaatsen, ons ontspannen, aan politiek doen en de samenleving organiseren. Kortom, onze hele beschaving en de invulling die wij geven aan geluk en zinvol leven, een invulling die steeds meer gelijk is komen te staan met consumeren. Toch groeit het aantal rapporten dat vaststelt dat economische groei vanaf een bepaald punt niet meer leidt tot een gelukkiger en meer zinvol bestaan.

Er wordt wel eens op gewezen dat de transitie waartoe de klimaatopwarming ons dwingt, kan vergeleken worden met die van de jagers en verzamelaars naar de sedentaire samenleving. Of die van de pre-industriële naar de industriële samenleving. Alleen gebeurden die overgangen in een tijdspanne van een eeuw. Wij hebben amper een decennium om de omslag te realiseren.

De aanpak :
Eind de jaren ’80 werd voor het eerst gewezen op het fenomeen van een opwarmende aarde ten gevolge van de broeikasgassen.

1.De VN-aanpak:
Op de VN- Aardetop in Rio de Janeiro (1992) werd Klimaatconventie (UNFCCC) in het leven geroepen. Die conventie erkent:
* het probleem van de globale opwarming door accumulatie van broeikasgassen,
* dat gegeven dat de rijke landen het probleem veroorzaakten
* dat alle landen “een gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid” hebben

In 1996 zag het Kyotoprotocol het licht, waarin de rijke landen zich engageerden tot bindende doelstellingen om hun emissies in te perken, voor de periode 2008-2012. Er is daarbij gesteld dat de ontwikkelingslanden geen bindende doelstellingen moeten opnemen in de Kyotoperiode (tot 2012), omdat zij nog het recht hebben op economische groei. Om het de rijke landen makkelijker te maken, heeft men geopteerd voor een marktgerichte aanpak, met de zogenaamde flexibele mechanismen (CDM en JI) en het emissiehandelssystemen (ETS). Op de klimaatconferentie van Bali (december 2007) werd afgesproken om een opvolging te geven aan het Kyotoprotocol, in een nieuw akkoord met sterke en duidelijke engagementen. De onderhandelingen hierover bestrijken vier domeinen - mitigatie, adaptatie, technologie-overdracht en financiering. Daarnaast wordt ook gewerkt aan een gezamenlijke visietekst.
Men had gehoopt op de klimaatconferentie van Kopenhagen (december 2009) een ontwerpakkoord klaar te hebben voor een post-Kyoto protocol, maar dat is niet gelukt, om diverse redenen.

De voorbije jaren zijn heel wat zwakten en tekortkomingen van deze aanpak aan het licht gekomen, en groeit ook de kritiek:
- De kloof tussen het proces van opwarming enerzijds en de politieke daadkracht anderzijds, groeit. Terwijl wetenschappelijke gegevens erop wijzen dat de opwarming sneller gaat dan de scenario’s aangeven, blijven de doelstellingen voor emissiereductie, die de politici aangeven, ver onder wat nodig is om een gevaarlijke opwarming te voorkomen. De voorstellen van de verschillende landen voor emissiereductie tegen 2020,e zullen ons brengen naar een opwarming van 3,5 tot 4°C ipv de 2°C.
- Volgens het IPCC zouden de emissies tegen 2015 moeten pieken, om dan tegen 2020 te dalen met 25 tot 40 procent, en tegen 2050 met 50 procent op wereldvlak. Voor de industrielanden betekent dat inkrimpen met 90 procent. In Kopenhagen was men zelfs niet in staat om die doelstelling voor 2020 in een akkoord vast te leggen, ook al twijfelde niemand in het discours aan de noodzaak ervan.
- De onderhandelingen over financiering worden doorkruist door de financieel- economische crisis en dit maakt het extreem moeilijk om regeringen van de rijke landen te overhalen om met geld over de brug te komen. Geld dat toch beloofd wordt, is vaak een recyclage van reeds toegezegd ontwikkelingsgeld. Ook is er discussie over welke instanties het klimaatgeld zullen beheren, omdat ontwikkelingslanden bestaande instellingen zoals Wereldbank en IMF niet vertrouwen, gezien de slechte ervaringen uit het verleden. De industrielanden op hun beurt zijn ook niet zonder meer bereid om klimaatgeld over te hevelen naar corrupte regimes of falende staten.
- Een andere kritiek heeft het over het feit dat het hele VN proces te zeer in handen gekomen is van de bedrijfswereld en dat economische belangen het klimaatdiscours zijn gaan domineren (wat een illustratie is van het kader dat in hoofdstuk II is geschetst).

- Vanuit sommige landen in het Zuiden wordt er steeds meer de aandacht op gevestigd dat het fundamentele probleem gelegen is in het kapitalistisch systeem en in het model van ongebreidelde economische groei. Tegelijk wijst men erop dat de rijke landen te weinig doen in hun eigen regio en te veel de inzet die nodig is, willen afwentelen op het Zuiden.

Tal van oude en nieuwe problemen convergeren zo in het klimaatprobleem en zorgen voor een impasse.
De hele benadering blijft ook in de greep van het concurrentie- en marktdenken en dit spoor schiet tekort om het probleem aan te pakken.

2. Voorbij de VN-benadering:

De klimaatconferentie in Kopenhagen (december 2009) heeft getoond hoe moeilijk het is om het probleem aan te pakken binnen het huidige systeem en binnen de logica van een kapitalistische markteconomie. De markt alleen kan dit probleem niet oplossen. De politici worden opgezogen door tal van belangen en worden verblind door een korte termijn visie. Zij geven ook geen blijk van een besef van dringendheid. De wetenschap levert haar bijdrage door het probleem in kaart te brengen en door theoretische ontwerpen voor alternatieven uit te werken. Maar ook de wetenschap zit verstrikt in haar “specialisatieval”: de huidige problemen zijn zo complex dat er veel meer interdisciplinariteit nodig is, ook op wetenschappelijk vlak. (zie interview Asunción Lera: “Het klimaatprobleem is geen milieuprobleem. Het is een rechtvaardigheidsprobleem”.)

Sommigen stellen dat je het klimaatprobleem alleen kan oplossen via een drastische bevolkingsbeperking. De vraag is echter eerder een verdelingsvraagstuk: zie inleiding over de ecologische voetafdruk. Het klimaatprobleem wordt op die manier een zoektocht naar een ontwikkelingsmodel waaraan alle bewoners van deze planeet deel van kunnen zijn op een waardige en volwaardige manier. Het is een kwestie van ethiek en klimaatrechtvaardigheid.


Voor Terra Reversa is het duidelijk dat we binnen het huidige wereldbestel het ecologische probleem en het rechtvaardigheidsprobleem niet kunnen oplossen.
De VN aanpak helpt om de overgang te realiseren en aansluiting te vinden bij de huidige gesprekspartners, maar is in grote mate ontoereikend.
- We hebben nood aan een beschavingsmodel dat anders omgaat met energie en grondstoffen, maar dat tegelijk ontwikkelingskansen biedt voor wie die nu niet heeft.
Zo’n overgang naar een ander energie- en grondstoffensysteem en een ander consumptiepatroon beïnvloedt de technologie, onze gewoonten, levensstijlen, de huidige maatschappelijke verhoudingen.
- Het is belangrijk dat wij nu al, zonder uitstel, alles inzetten om die overgang te realiseren, omdat uitstel elk klimaatbeleid veel duurder maakt, omdat we dan het risico lopen op onomkeerbare processen en tot slot omdat er vandaag al miljoenen mensen slachtoffer zijn van het probleem.
- Om die overgang te maken, wil Terra Reversa vooral van de rijke landen verregaande inspanningen vragen. De industrielanden hebben immers de grootste verantwoordelijkheid in het probleem en hebben ook vandaag de meeste financiële en technologische middelen om de overgang te maken. Technologie en geld zullen het probleem niet oplossen, maar vormen wel een belangrijk onderdeel in de aanpak van het probleem.
- Concreet wil Terra Reversa zich achter de eisen van het IPCC stellen, die een minimum zijn: een reductie van 25 tot 40 procent in emissies tegen 2020, en voor de rijke landen een reductie van 90 procent tegen 2050.
- Terra Reversa stelt ook heel duidelijk dat we niet kunnen evolueren naar een wereldorde, gebaseerd op ‘klimaatapartheid’. Het klimaatprobleem is een probleem dat de hele planeet en de hele wereldbevolking aangaat en is tegelijk een kans tot een rechtvaardige en duurzame samenleving. In de komende jaren zullen we ons nog mogen verwachten aan golven klimaatvluchtelingen. We kunnen ons niet opsluiten in een fort van zelfbeveiliging maar moeten ons openstellen om tijdelijke bescherming te bieden aan groepen mensen die nu al slachtoffer zijn van klimaatimpact of klimaatconflicten. Wij hebben “de verantwoordelijkheid om te beschermen”. ( zie intv Lera). Daarnaast moeten we nu al inzetten op adaptatie in het Zuiden.

 

TR kan hieraan meewerken door het organiseren van lezingen en debatten het verspreiden van teksten (website, facebook, …), door onze politici onder druk te zetten (opinie publiceren, open brief schrijven…) door een andere levensstijl gestalte te geven en te promoten in tal van kleine initiatieven (transitiegroepen, voedselteams, autodelen, minder vlees eten … ) en zo voor draagvlak te zorgen voor onze politici en voor een klimaat van verandering.

Leden werkgroep Ethiek

Alma De Walsche
André Bogaert
Barbara Haverhals
Jacques Haers
Jef Peeters
Patrick Bruggeman

 

Contouren van het ethisch kader

2.1.Tegenover een verlokkelijk denkkader dat controlerende macht beoogt …

Het is belangrijk het denkkader en de attitudes die aan de basis liggen van de onrechtvaardige en onduurzame aspecten van het wereldwijde samenleven, verder te preciseren.

 

Volgende karakteristieken tekenen zich dan af:

(a) Menselijke autonomie: Een sterke nadruk op de menselijke autonomie die eenzijdig begrepen wordt als zelfgenoegzaamheid en controlerende macht. Dit leidt tot onderlinge concurrentie en hiërarchische ordening, die op hun beurt aanleiding geven tot onrechtvaardige tussenmenselijke verhoudingen en tot uitbuiting van de natuur en haar grondstoffen.

(b) Kapitalistische logica: Vormen van economisch denken die een kapitalistische logica hanteren waarin waarde eenzijdig uitgedrukt wordt in geldtermen en voorwerp wordt van financiële markttransacties. Hierbij wordt uitgegaan van een onuitputtelijke voorraad aan natuurlijke grondstoffen en onbeperkte materiële groei is een vanzelfsprekend doel. De vraag naar duurzaamheid wordt niet gesteld.

(c) Juridische procedures: De nadruk op juridische procedures als criterium voor het nemen van maatschappelijke beslissingen. Overlegprocessen (ook binnen conflicten) die mensen tot verantwoorde keuzes uitdagen verliezen daardoor aan belang; verantwoordelijkheid dreigt vervangen te worden door het naleven van regels.

(d) Positief wetenschappelijk: Het eenzijdige en daarom ook vermetele vertrouwen in een wetenschappelijke en technologische rationaliteit. Die verwijst naar denkmodellen uit de zgn. positieve wetenschappen, met hun nadruk op kwantificeerbare objectiviteit, meetbaarheid, instrumentalisering, afstandelijkheid en eenzijdig lineair denken.

(e) Zelfgenoegzaam: Het vermetel vertrouwen in deze denkvormen ondersteunt individuele en maatschappelijke attitudes die veiligheid, aanzien, bezit en macht als belangrijkste doelen op het oog hebben en die zelfgenoegzame identiteit bevoordelen ten opzichte van identiteitsopbouwende relaties en ten opzichte van mensen die de wereld vanuit een andere achtergrond of wereldbeeld beleven

 

De impact op het mensbeeld, de sociale verhoudingen, de relatie tot de natuur:

De denkkaders en attitudes die vooral in de rijkere en machtigere regio’s van onze wereld overheersen, hebben een aantal nefaste gevolgen voor onze visie op wat mens-zijn betekent (antropologie), voor de tussenmenselijke verhoudingen (sociabiliteit), en ten aanzien van de natuur als het milieu waarin mensen gedijen (ecologie).

- Er treedt een overvraging van mensen op door de stress van een overdreven antropocentrisme (de mens staat zo centraal dat alles van “hem” afhangt), de stress van een niet aflatende consumptiedrang, en van een toenemende rivaliteit in patronen van maatschappelijke waardering.
- De relaties tussen mensen worden bepaald door juridische procedures, economische verhoudingen en prestaties, agressieve identiteitsafbakening, drukke agenda’s waarin belangeloze sociale banden geen plaats meer hebben, en nuttigheidsoverwegingen.
- Centraal staat niet de verbondenheid met de leefwereld en een ontwikkeling die rekening houdt met grenzen, maar de controle over een natuur die als onbezield wordt opgevat, en als een onuitputtelijke voorraad gebruikt kan worden om aan de steeds toenemende eisen van mensen te voldoen.
Er wordt geen rekening gehouden met de begrensdheid van het ecosysteem aarde, noch met de weerbarstigheid van een natuur die stress vertoont en reageert op de druk die op haar wordt uitgeoefend.

De eenzijdigheid van deze denkkaders en attitudes wordt vandaag ook binnen de filosofische, economische, juridische, religieuze, en positief- en menswetenschappelijke reflecties erkend en onderzocht.

 

 

2.2 … een weloverwogen houding die zorgzame en gezamenlijke verantwoordelijkheid belichaamt

Tegenover de hierboven geschetste denkkaders en handelwijzen willen wij alternatieven naar voor schuiven die rechtvaardige relaties en duurzaamheid in het samenleven van mensen onderling en met de natuur bevorderen. De nadruk ligt hierbij uitsluitend op het initiëren van maatschappelijke zoekprocessen waarin vele mensen samenwerken, nieuwe kennisvormen opbouwen en samenlevingsvormen ontwikkelen waarin ook rekening gehouden wordt met de ecologische verbondenheid van mensen in het ecosysteem aarde.

Het is eigen aan dergelijke zoekprocessen dat ze niet op voorhand beslag leggen op wat de uitkomst kan of mag zijn, en dat ze keuzes inhouden tussen verschillende alternatieven die al naar de gehanteerde beoordelingscriteria gelijkwaardig lijken.
Deze zoekprocessen kunnen tot vergissingen leiden die mensen pas nadien erkennen. Ze kunnen de vorm aannemen van politiek overleg en consensusopbouw, maar leiden soms ook tot een maatschappelijke strijd wanneer kwesties van leven en dood op het spel staan – en dat is het geval in de huidige milieucrisis.

Het kan erop lijken dat de denkbeelden en attituden die we hieronder aanreiken, het regelrechte tegendeel vormen van de denkkaders en praktijken die we onder punt 1. bekritiseerden. Dan is het vooral de bedoeling om die laatste uit hun eenzijdigheid te halen en te wijzen op spanningsverhoudingen waarin ze een creatieve rol kunnen blijven spelen.

De in punt 1 bekritiseerde denkkaders en attitudes staan mee aan de basis van open zoekprocessen doordat ze in spanning treden met de volgende verwachte evoluties:

(a) De ontwikkeling van een holistische filosofische kijk op de wereld, waarin onderlinge afhankelijkheid en lotsverbondenheid van al wat bestaat, wordt benadrukt; waarin mensen gewaardeerd worden in hun samenhorigheid en als deel van de natuur als geheel.

(b) In een economisch perspectief wordt gezocht naar nieuwe meetinstrumenten om wat waardevol is, ook op waarde te schatten. Er wordt ook gezocht naar manieren om op een creatieve wijze om te gaan met limieten en beperkingen, en naar benaderingen die duurzaamheid, sociale rechtvaardigheid en ontwikkeling tegelijk omvatten.

(c) Er wordt gestreefd naar het in balans brengen van juridische procedures met een (al dan niet conflictueuze) cultuur van overleg en debat. Op die manier kan er ruimte ontstaan voor een zoekende besluitvorming. Dit is een proces waarvan de uitkomst niet vooraf op eenduidige wijze vastligt maar die ontstaat door vele mensen - en in het bijzonder diegenen wier stem niet of nauwelijks gehoord wordt - te betrekken bij een gemeenschappelijke praxis van overweging, afweging en kritische bevraging omtrent de motiveringen.
Zo'n praxis vereist zin voor complexiteit en de bereidheid om - op basis van maatschappelijke uitdagingen- gemeenschappen en samenlevingen op te bouwen die het samenleven van mensen met en in hun milieu op het oog hebben. Omdat de uitdagingen een wereldwijd karakter vertonen, zullen die gemeenschappen uiteindelijk ook wereldwijde dimensies hebben.

(d) Er wordt rekening gehouden met de nieuwe kijk op wetenschappelijke kennis, waarin complexiteit en eenvoud, bifurcatieprocessen, niet lineaire processen, netwerkdenken, statistische en holistische processen, transdisciplinariteit, enz. een plaats krijgen.

(e) Er is aandacht voor individuele en maatschappelijke attitudes van openheid, kwetsbaarheid en de bereidheid om relaties op te bouwen.

Wanneer we ons bewust in deze spanningsvelden begeven en er zoekprocessen op gang trekken, dan gaat het niet om het doorgeven van kennis, maar om het mee voltrekken van denkprocessen en het mee ontwikkelen van attitudes, gebaseerd op bewuste en verantwoorde keuzes. Zo kunnen sommige negatieve gevolgen voor mensbeeld, intermenselijke verhoudingen en relaties tot het natuurlijke milieu, op een creatieve wijze omgebogen worden.

Daarbij staan volgende elementen centraal:

--De nadruk ligt op de niet-afzondering van de mens, zowel in de intermenselijke verhoudingen als in de lotsverbondenheid met mensen en natuur, en in het toebehoren tot de natuur, waarin mensen– weliswaar als product van natuurlijke evolutie – een belangrijke rol spelen. Men kan hier over een verweven of verbonden - niet over een absoluut- antropocentrisme spreken. Op deze wijze wordt de zin voor verantwoordelijkheid benadrukt meer dan een schuldfixatie of de nood aan controle; zorgzaamheid krijgt voorrang op macht; gehoorzaamheid aan de noden en mogelijkheden van de natuur haalt het op manipulatie.
-- Menselijke relaties worden niet meer gezien als louter eigenschappen van autonome individuen, maar als een essentiële dimensie van de identiteitsvorming. Een grotere aandacht voor de kwaliteit van die relaties kan ook een grotere aandacht scheppen voor rechtvaardige en duurzame verhoudingen. Hierin krijgt de zin voor onderlinge verantwoordelijkheid en zorgzaamheid een belangrijke plaats, als ook de aandacht voor gemeenschap en samenleving
-- Ten aanzien van de natuur worden de onderlinge afhankelijkheid en de lotsverbondenheid benadrukt. Dit laat toe om grenzen en weerbarstigheid van de natuur en het ecosysteem te erkennen en om op zoek te gaan naar duurzame levenswijzen die vertrekken vanuit het concept van een leven in partnerschap met en in de natuur en dat ook in praktijk vorm geven.

 

2. 3. Ethische ernst en bedachtzaamheid in individuele en maatschappelijke keuzeprocessen

Vanwege de wereldwijde uitdagingen die een omkeer vereisen in onze wereldvisies en onze interpretatiekaders, is er ook nood aan ethische ankerpunten die zowel ernst als bedachtzaamheid weerspiegelen op individueel en maatschappelijk niveau.

Te midden van dominante denkperspectieven die groei, winstbejag en technische maakbaarheid centraal stellen, is er nood aan gezamenlijke ethische reflectie in het maatschappelijke debat. Het gaat hier niet op de eerste plaats om een ethiek van de “stenen tafelen” waar zgn. experten van buitenaf morele regels en principes aandragen, maar om een breed maatschappelijk denk- en zoekproces waarin vele stemmen, in het bijzonder die stemmen die in het courante debat niet gehoord worden, een plaats krijgen. Er zal dus ook telkens gewezen worden op de valkuilen van een hegemonisch gerichte ethiek.

Wij benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die het communiceren van en over een complexe realiteit bevordert in de richting van een duurzaam levensperspectief en sociale rechtvaardigheid. Het woord communicatie benadrukt hier een zoekend proces waarin wederzijdsheid, het toelaten van zoveel mogelijk gesprekspartners in de ethische reflectie, en de bereidheid om zich bloot te stellen aan een kritische ethische interactie, belangrijke componenten zijn. Het communiceren van en over een complexe situatie die een veelvormige aanpak vereist, is een ethische uitdaging.

Wij benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die zich richt zowel op het persoonlijke als op het structurele, systematische niveau. We beogen daarbij de mens als subject en verantwoordelijke persoon, maar eveneens de menselijke gemeenschappen en de structuren die voortvloeien uit samenwerkings- en samenlevingsprocessen.

Wij benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die lotsverbonden solidariteit in het vaandel draagt ( lotsverbondenheid, i.e. verantwoordelijkheid tot solidariteit in een wereld waar men reeds in relaties van onderlinge afhankelijkheid gesitueerd is). Deze solidariteit is een oproep tot rechtvaardige omgang met elkaar en met de natuur. Wanneer deze solidariteit in verantwoordelijkheid opgenomen wordt, is ze gemeenschapsopbouwend. De lotsverbondenheid is ook gericht op de toekomstige generaties en strekt zich dus zowel in de tijd als in de ruimte uit.

We benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die in haar gemeenschapsopbouwende oproep tot solidariteit ook de taal van rechten en plichten, van afdwingbaarheid, van mensenrechten en rechten van de natuur, en van ecologisch burgerschap spreekt.

We benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die niet alleen schuld (ivm wat in het verleden gebeurd is) maar ook verantwoordelijkheid (voor de toekomst) benadrukt. De crisis is levensbedreigend op grote schaal, zo dat de vraag moet gesteld worden naar waardig toekomstig leven. Kijken naar het verleden vanuit schuldvragen mag niet ontweken worden. De onrechtvaardige Noord-Zuid verhoudingen en de ecologische schuld mogen niet verdoezeld worden. Het kan soms wel verlammend werken wanneer dit kijken niet wordt aangevuld en verdiept door het gezamenlijk nemen van verantwoordelijkheid in dienst van duurzaam en sociaal rechtvaardig samenleven.

We benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie van de zorgzaamheid en de voorzorg. Zorgzaamheid betekent het omgaan met mens en natuur en haar mogelijkheden op een wijze die duurzaamheid en waardigheid garandeert voor al het bestaande. Dat betekent dat in geval van twijfel of onzekerheid over een handeling, geopteerd wordt voor voorzichtigheid.

We benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die op een constructieve en creatieve wijze het samenspel tussen overleg en conflict hanteert. De ethische reflectie is dus ook strategisch gericht op veranderingsprocessen, die sociale rechtvaardigheid en duurzaamheid op het oog hebben. Ze houdt daarbij terdege rekening met diversiteit zowel in benaderingswijzen als in de manier waarop machtsuitoefening plaats vindt.
De gezamenlijke ethische reflectie die wij op het oog hebben, probeert de achtergronden en motieven van het strategische denken te verhelderen en op vruchtbare wijze te richten.

Wij benadrukken de nood aan een gezamenlijke ethische reflectie die aandacht heeft voor het streefbeeld of het visioen van het goede leven als rechtvaardig samenleven. Een toekomstbeeld dat duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid benadrukt en zich niet laat herleiden tot een maakbare utopie, werkt als een aantrekkingspool of verleider, aanwezig in het heden als een mogelijkheid voor de toekomst. Die mogelijkheid laat zich echter slechts vanuit een houding van verantwoordelijke solidariteit waarmaken. De ethische reflectie waarvoor wij hier pleiten vertoont dus een spanning tussen het wenselijke en het mogelijke.

De verantwoordelijkheid om te beschermen

'Het klimaatprobleem is geen milieuprobleem'

Asunción LeraAsunción Lera over de nood aan een nieuwe kijk op ontwikkeling

Asunción Lera St. Clair is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Bergen in Noorwegen.

26 mei 2010 (MO) - Het klimaatprobleem kunnen we niet oplossen zonder fundamenteel nieuwe ideeën over ontwikkeling, welzijn en vooruitgang. Dat is het standpunt van de Noorse sociologe en filosofe Asunción Lera St. Clair, die wereldwijd naam gemaakt heeft met haar studies over de samenhang tussen ethiek, ontwikkeling en mondiale rechtvaardigheid. Lera pleit voor een nieuwe kennis en een nieuwe wetenschap, omdat de oude modellen uitgediend zijn.
Eind maart was Asunción Lera St. Clair in Brussel om deel te nemen aan een seminarie over de Europese strategie voor ontwikkeling. De presentatie van professor Lera is ronduit verontrustend. Enkele in elkaar overvloeiende beelden geven in blauwe, gele en rode kleur de opwarming van het aardoppervlak weer van 1880 tot 2008. De intensiteit waarmee de rode kleur de voorbije twee decennia toeneemt, is schrikwekkend. Tegelijk stelt Asunción Lera dat we nauwelijks de diepgang van het klimaatprobleem beseffen, vooral dan in het licht van de armoede- en ontwikkelingsproblematiek.
Asunción Lera St. Clair is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Bergen in Noorwegen. Ze werkt mee aan de Encyclopaedia on Global Justice die Springer zal publiceren en ze is actief op talloze fora waar rechtvaardigheid en ethiek in een mondiale context bekeken worden. Nieuwsgierig gemaakt door haar provocerende stellingen, vroeg MO* haar om een en ander nader toe te lichten.

U bent helemaal niet enthousiast over de internationale aanpak van het klimaatprobleem. Waar knelt de schoen?
Asunción Lera: Mijn kritiek betreft niet zozeer de manier waarop het onderhandelingsproces verloopt. Het probleem is vooral dat de basis van het overleg ontoereikend is. We zien het klimaatprobleem als een milieuprobleem maar hebben geen oog voor de historische dimensie ervan en voor de grote ongelijkheid die dit ontwikkelingsmodel gecreëerd heeft, zowel in het Noorden als in het Zuiden. Ongelijkheid in macht, in inkomen, in mogelijkheden, niet alleen tussen landen onderling maar ook binnen landen. De politieke leiders willen een heel moeilijk akkoord sluiten maar er is onvoldoende basis en achterban om zo’n akkoord te dragen. De burgers in de industrielanden weten intussen wel dat er een klimaatprobleem is en dat een akkoord wellicht betekent dat ze offers moeten brengen en hun levensstandaard –die ze als vanzelfsprekend beschouwen– moeten terugschroeven.
Maar ze staan niet stil bij de historisch diep gewortelde ongelijkheid die er in de wereld heerst. Intussen zijn er in het Zuiden twee miljard mensen die onder de absolute armoedegrens leven. Zij hebben misschien nooit over klimaatverandering gehoord, maar elke verslechtering van het milieu is voor hen wel “een streep door de rekening”. Geld, groene technologie en schone energie om het klimaatprobleem op te lossen, zijn natuurlijk goed maar heel erg ontoereikend, ze raken de kern niet. Extra klimaatgeld voor de nationale aanpassingsplannen of om de bossen te beschermen brengt weinig zoden aan de dijk?
Natuurlijk heeft het Zuiden meer geld nodig. En natuurlijk is het goed dat de rijke landen met financiële programma’s komen om de ontbossing af te remmen. Maar als we dat doen om intussen zelf onze manier van leven niet te hoeven veranderen, is dat geen oplossing. Noorwegen stopt veel geld in de financiering van REDD (het VN-klimaatmechanisme om ontbossing tegen te gaan, zie MO*73) om het eigen geweten zuiver te houden en intussen te kunnen doorgaan met olie-exploitatie. We bouwen op een systeem dat onrechtvaardig is en ongelijkheid creëert en dan trekken we geld uit voor de negatieve gevolgen ervan. Het zou beter zijn eerst mondiaal de regels die betrekking hebben op handel, migratie en andere thema’s te veranderen.
Economen als Nicolas Stern en Jeffrey Sachs vestigen nochtans de aandacht op de armoede en stellen dat klimaat en armoede samen moeten behandeld worden. De Millenniumontwikkelingsdoelstellingen (MOD’s) kunnen niet bereikt worden, stelt Stern, als het klimaatprobleem niet wordt aangepakt. Ik heb het om verschillende redenen moeilijk met die visie. De MOD’s zijn revolutionair ten opzichte van de vroegere ontwikkelingsmodellen, maar zij gaan het klimaatprobleem niet oplossen. Wanneer men in 2015 de balans van de MOD’s opmaakt –die werkelijk het minimum aangeven van wat we zouden moeten bereiken–, zullen verschillende indicatoren verslechterd zijn tegenover 2000, toen de campagne gelanceerd werd. Bovendien is het denken van Stern en Sachs misleidend, omdat ze de indruk wekken dat er makkelijke oplossingen bestaan. Beiden zijn wel medestanders om bijvoorbeeld de klimaatsceptici –die nog altijd talrijk zijn– te overtuigen, of de conservatieven in Europa of de Republikeinen in de VS. Maar we zijn op het moment gekomen dat we fundamenteel nieuw en revolutionair denken nodig hebben.

Waarin bestaat zulk revolutionair denken?
Asunción Lera: In de eerste plaats moeten we op een andere manier naar armoede kijken. Armoede is geen probleem van de armen in Noord en Zuid. Het is een probleem van de rijken in Noord en Zuid. Dat probleem lossen we niet op met liefdadigheid en geld dat we over hebben. We moeten integendeel uitgaan van ieders rechten en van “de verantwoordelijkheid om te beschermen”. Dat is een term uit de humanitaire hulpverlening die is ontwikkeld voor oorlogssituaties. We hebben als mens de plicht om al wie kwetsbaar is en bedreigd te beschermen, ook tegen klimaatverandering en ook preventief, tegen de impact die nog zal komen. Dat kan, door hen toegang te geven tot universele gezondheidszorg. We weten dat sociale bescherming in Europa gewerkt heeft om al te grote ongelijkheid tussen arm en rijk te voorkomen.
We weten dat het goed is kinderen algemene toegang te geven tot onderwijs, dat het een positief effect heeft te verhinderen dat producten van de kleine boer uit de globaal geïndustrialiseerde voedselmarkt gestoten worden en dat armen uit de arbeidsmarkt vallen. Wat nu moet gebeuren is de nodige lessen te trekken uit de dingen die we al weten en het perspectief om te keren.

Klinkt dat ‘beschermen’ niet wat paternalistisch?
Asunción Lera: Het heeft alles te maken met hoe je naar armoede kijkt. Sommigen vinden dat de armen arm zijn omdat ze lui en dom zijn. Anderen willen helpen en een centje geven. Maar je kan ook naar de armen kijken vanuit een relatie met die mensen, een betrokkenheid. Het gaat om een spirituele en filosofische dimensie.
Ik kom uit een traditie met aandacht voor de ethische dimensie van ontwikkeling. Daarin gaat het over de kwaliteit van leven en dat staat niet gelijk met het accumuleren van goederen. Er zijn miljoenen mensen die bezittingen hebben opgestapeld en vaststellen dat het hen niet gelukkig maakt. Het is een kwestie van waarden en keuzes. Het heeft te maken met onze moraliteit. Steeds meer mensen lijken zich af te vragen waarom ze zich iets moeten aantrekken van die ongelijkheid. Ze hebben het zelf al lastig genoeg.
Dat is nu juist het probleem, vaak gaat het om een waardenconflict. Burgers, bedrijfsleiders, politici, onderhandelaars in het klimaatoverleg: we zijn allemaal voortdurend bezig met keuzes maken. Het is heel belangrijk om je bewust te zijn van de criteria op basis waarvan je die keuzes maakt.
Er wordt gekozen op basis van een waardepatroon dat de toekomst van de eigen kinderen belangrijker acht dan de toekomst van de kinderen in Soedan. Regeringen nemen beslissingen waarbij hun burgers belangrijker zijn dan de burgers van een ander land. En dat is ook hun professionele taak als verkozen politicus, namelijk om de grondwettelijke rechten van hun burgers te beschermen. We hebben allemaal onze prioriteiten.
Dit knelpunt dwingt ons precies om dieper na te denken over de betekenis van de mensheid. En concreet voor ons, over wat het betekent om te leven op een eiland van weelde en veiligheid, omringd door mensen in ellende en kwetsbaarheid. We zijn ons niet bewust van die onderliggende waarden omdat we ons geprivilegieerde bestaan willen rechtvaardigen en daar liever niet verder over doordenken.

Individueel gedrag kan dat maatschappelijke waardenpatroon toch niet veranderen?
Asunción Lera: Het is belangrijk dat ieder individu doet wat binnen zijn of haar mogelijkheden ligt. Maar met zijn allen gaan fietsen of stappen om de broeikasgassen in te perken, is onvoldoende. We moeten een nieuw beeld ontwikkelen van wat goede levenskwaliteit inhoudt, van wat een vooruitstrevende samenleving is.
Het Human Development Report 2007-2008: Fighting Climate Change: Human Solidarity in a Divided World stelt die fundamentele vraag naar een andere ontwikkelingsfilosofie en de behoefte om een nieuwe invulling te vinden van wat vooruitgang is. Dit in tegenstelling tot de visie van de Wereldbank op klimaat (bijvoorbeeld in Strategic Framework for the World Bank Group 2008). Waar het uiteindelijk om gaat en wat we moeten leren, is hoe we met z’n allen kunnen samenleven op deze wereld.

U stelt dat we daarvoor grondige vernieuwing in kennis en wetenschap nodig hebben.
Asunción Lera: Jeffrey Sachs en Nicolas Stern kunnen briljante economen zijn, maar hun kennis is ontoereikend voor de complexe problemen die we vandaag het hoofd moeten bieden. Ook klimaatexperts kunnen geen perfecte voorspellingen doen. Er moet veel meer samenwerking en uitwisseling komen en democratisering van de wetenschap. Maar er is ook andere kennis nodig. Het probleem is immers ook: wiens waarden en wiens kennis bepalen het debat en het zoeken naar oplossingen?
Ik denk dat we fundamentele antwoorden kunnen vinden in de inheemse kennis wanneer het gaat om aanpassing aan nieuwe klimaatomstandigheden. De Braziliaanse denker en schrijver Buenaventura do Sousa Santos ontwikkelde het begrip “cognitieve rechtvaardigheid” om te wijzen op de vernieuwende bijdrage van ideeën die niet komen uit de bekende kanalen van regeringen, economen of de Wereldbank.

Sommigen zeggen dat we een derde industriële revolutie nodig hebben.
Asunción Lera: We zijn inderdaad op een moment in de geschiedenis gekomen waarop een revolutie nodig is die vergelijkbaar is met de industriële revolutie. Maar dan een nieuwe revolutie, gericht op duurzaamheid. De minister voor Energie van de VS had het inderdaad over een nieuwe industriële revolutie en ik denk dat hij gelijk heeft. Maar we moeten ons daarbij afvragen: wat is een goed leven, wat is ontwikkeling, wat is vooruitgang in de 21ste eeuw? Het gaat er voor mij niet zozeer om de tweede industriële revolutie alle schuld te geven. Maar het is wel zo dat er fouten zitten in dat model en dat het vandaag voorbijgestreefd is. We zijn op een kruispunt gekomen waarop we dingen moeten herzien, en dat is een goede gelegenheid.

Hoe moet je omgaan met de contradictie tussen de noodzaak van een diepgaande ommekeer en de dringendheid van het probleem?
Asunción Lera: Daar heb ik geen oplossing voor, het is een contradictie die we moeten meenemen. Voor vele dingen zijn we wellicht te laat. Maar dat mag geen reden zijn om in rampen te geloven. Laat het veeleer een drijfveer zijn om ons in te zetten voor de verandering. We hoeven ook niet alles uit te vinden, er liggen heel wat elementen op tafel, er is veel dat al gedaan kan worden. Het moet alleen meer aan de oppervlakte komen en zichtbaar gemaakt worden.

(Alma De Walsche, in MO* juni 2010)

Landbouw

Contactpersoon: vera.dua@terrareversa.be
bram.moeskops@terrareversa.be

Bij Terra Reversa is een denkgroep landbouw actief.

Landbouw zorgt in coproductie met de natuur voor de productie van voedsel en is tevens de belangrijkste gebruiker van de open ruimte. Het ganse landbouw-voedingssysteem verkeert echter in crisis waarvan niet alleen de boeren het slachtoffer zijn, de ganse samenleving wordt er door getroffen.

Het huidig landbouwsysteem vormt een bedreiging voor de biodiversiteit, levert een belangrijke bijdrage aan het klimaatprobleem, zorgt op veel plaatsen voor bodemdegradatie en slaagt er niet in om de honger uit te bannen en voor alle boeren een menswaardig inkomen te garanderen.

Ook ons Westers consumptiepatroon gaat niet vrijuit. De teelt van voedergewassen voor onze vleesconsumptie, de industriële productie van exportgewassen en dumping van onze voedseloverschotten in de Derde Wereld bedreigen de overlevingskansen van vele boeren in arme landen. En ondertussen zorgen onze slechte eetgewoontes voor gezondheidsproblemen in de rijke landen.

Het moet dus anders in de toekomst.

Een transitie in de landbouw en voeding wereldwijd én lokaal is dus nodig. We hebben een ander soort landbouw nodig die in staat is op een duurzame wijze de wereldbevolking te voeden, de levensstandaard van de boeren te verbeteren, het sociaal-cultureel weefsel op het platteland te versterken en dit zonder de ecosystemen uit te putten en zonder de ecologische diensten aan te tasten

Dit veronderstelt een paradigmashift van agro-economie naar agro-ecologie en van overconsumptie naar duurzame voedingspatronen.

Leden denkgroep landbouw

De themagroep Landbouw van Terra Reversa bestaat momenteel uit volgende leden:

Ward Bosmans
Louis De Bruyn
Vera Dua (coördinator)
Bram Moeskops
Kurt Sannen
Gert Vandermosten

Landbouw conferentie 3 februari 2011

Terra Reversa organiseert samen met VODO op 3 februari 2011 een conferentie “transitie naar een duurzame landbouw is broodnodig” in het Europees Parlement.

Dit gebeurt met ondersteuning van BBL, Vredeseilanden, Broederlijk Delen, Greenpeace, Bioforum, Wervel, 11.11.11. …

Het is de bedoeling dat deze brede platformconferentie de aanzet geeft tot de opstart van een transitieproces voor de landbouw in Vlaanderen. Dit kan maar lukken als de huidige landbouwcrisis gesitueerd wordt in een mondiaal perspectief en als het consumptie-aspect volwaardig aan bod komt.

 

Sprekers op dit symposium zijn:

  • ROBERT (BOB) WATSON

Directeur van IAASTD, vroegere voorzitter van IPCC, momenteel chief scientific adviser, UK Department for Environment, Food and Rural Affairs en professor aan de University of East Anglia

Het International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (onder de leiding van FAO, UNDP, UNEP, WHO, WB) is een baanbrekend internationaal rapport, uitgewerkt door 600 wetenschappers en stakeholders die een synthese hebben gemaakt van de duurzame landbouwmodellen waarin moet geïnvesteerd worden op vlak van kennis, wetenschap en technologie.

 

  • OLIVIER DE SCHUTTER

Professor aan de Université de Louvain-la-Neuve (Belgium)

UN Special Rapporteur on the Right to Food (1 May 2008- 1 May 2011)

Hij is auteur van o.m. een interessante tekst: “Guidance in a time of crisis: IAASTD and the Human Right to Food” waarbij het IAASTD-rapport besproken wordt vanuit het perspectief van voedsel als mensenrecht.

 

  • UNNI KJAERNES

Co-manager in the SCORE!-project en lid van de Working Group Agro-food. Zij is een expert op vlak van duurzame consumptie. SCORE! (Sustainable Consumption Research Exchanges) is een initiatief van de EU met als missie een vooraanstaand wetenschappelijk netwerk uit te bouwen inzake duurzame consumptie en productie.

 

  • JAN DOUWE VAN DER PLOEG

Professor aan de landbouwfaculteit van Wageningen (Ned). Hij is auteur van “De virtuele boer” en “New peasantries” en ziet veel nieuwe ontplooiingsmogelijkheden binnen de landbouw als antwoord op het eenzijdig modernisatieproject van de voorbije decennia. Hij is zeer kritisch ten aanzien van het huidig landbouwmodel en formuleert nieuwe toekomstbeelden in de landbouw en mogelijke transitietrajecten.

 

In de namiddag komen alternatieve landbouwmodellen aan bod rond 3 thema’s:

  • Hoe kan landbouw bijdragen tot het behoud van de biodiversiteit? (zowel algemene als functionele agrodiversiteit)

  • Wat is het alternatief voor de intensieve landbouw met hoge externe input (intensieve veeteelt, impact op 3de wereld, vleesconsumptie)?

  • Wat is het alternatief voor de kapitaalsintensieve landbouw (ecologisch en sociaal kapitaal versus financieel kapitaal, autonomie van boeren)

 

Voor praktische inlichtingen: Gert Vandermosten (VODO): gert@vodo.be

Interessante links

Grain is a small ngo supporting small farmers and social movements
Grain is a small ngo supporting small farmers and social movements

 

International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development 


score
SCORE!: Sustainable Consumption Research Exchanges

Bioforum

 

BIOFORUM 

 

 

 

 


Landbouw en voedsel problematiek

Uitgangspunt :
Streefdoel is een verantwoorde voedselproductie en –distributie, die erop gericht is elke mens toegang te geven tot gezond, kwaliteitsvol en voldoende voedsel. Een voedselproductie die rekening houdt met de draagkracht van de aarde en de grenzen van de natuurlijke hulpbronnen.

Het probleem:
We stellen vast dat er iets grondig fout zit met de organisatie van onze mondiale voedselproductie en -distributie. Het systeem genereert gigantische voedseloverschotten aan de ene kant van de planeet, en een groeiend aantal hongerigen aan de andere kant.
Tegelijk zorgt het dominante landbouwsysteem voor een uitputting van de bodem en de grondwatertafels, vervuiling van de atmosfeer en verlies aan biodiversiteit.
Het gangbare model dat wereldwijd ingang heeft gevonden, is hoogst onrechtvaardig en ecologisch onduurzaam.

De aanpak:

1.VN- aanpak:
Het recht op adequaat voedsel is erkend in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (art 25) sinds 1948, evenals in de Internationale Conventie over Economische, Sociale en Culturele Rechten (art 11) sinds 1966.
In 2000 werd de functie van Speciale Rapporteur voor het Recht op Voedsel in het leven geroepen, na de beslissing van de Wereldvoedseltop in Rome van 1996, om dit recht ook operationeel te maken.
In november 2004 namen 187 lidstaten van de Algemene Raad van de FAO de “Vrijwillige Richtlijnen voor de Ondersteuning van de Geleidelijke Realisatie van het Recht op adequaat Voedsel, in de context van Nationale Voedselzekerheid. Die Richtlijnen zijn een set van aanbevelingen die staten uitkozen om na te leven, als leidraad om honger te voorkomen.)

Het recht op adequaat voedsel is gerealiseerd wanneer elke man, vrouw en kind, alleen of in gemeenschap met anderen, fysieke en economische toegang heeft tot adequaat voedsel of tot middelen om dat te verschaffen. Het gaat dus niet om de enge betekenis van een minimum pakket van zoveel calorieën, proteïnen of nutriënten.
Voor de Speciale Rapporteur is het recht op voedsel het recht om permanent en ongelimiteerd toegang te hebben, direct of via financiële middelen, tot kwantitatief en kwalitatief voldoende en adequaat voedsel, in overeenstemming met de culturele tradities van mensen en op een manier die mentale en fysieke gezondheid garandeert individueel en collectief.

Staten hebben de verplichting om de nodige actie te ondernemen om honger te stillen, zelfs bij natuurrampen of andere tegenspoed.

2. Voorbij de VN-aanpak:

Al deze verklaringen ten spijt, zien we dat in de realiteit honger blijft woekeren. Er is nood aan een fundamentele analyse, het is belangrijk naar de wortels van het probleem te gaan.
Verschillende mechanismen liggen hier immers aan de basis (zie analyse hoofdstuk II):

-Op vlak van sociale onrechtvaardigheid: de organisatie van de mondiale markt stoot boeren uit en brengt voedselproductie in de handen van de agrobusiness en de grootdistributie. Enkele gigantische voedingsmultinationals controleren de hele keten. Dit proces voltrekt zich op een heel indringende manier, gaande van de controle over het zaaigoed en het opdringen van ggo-zaden, het beslag leggen op de traditionele kennis van de boeren tot het controleren van de markten.

-Kleine boeren worden uitgerangeerd of worden goedkope arbeidskrachten in loondienst. Ze verliezen niet alleen hun autonomie maar ook hun toegang tot voedsel, en tot hun levensonderhoud. Het is een logica die honger en armoede produceert.

-Sinds men landbouw wil onderbrengen onder WTO, wil men voedsel (en water en zuivere lucht) reduceren tot koopwaar en het niet langer evident als een mensenrecht beschouwen. Het is een benadering die gestuurd wordt door winstbejag en een korte termijn visie en uitmondt in een “race to the bottom”, voortdurend op zoek naar de laagste prijs.

-Dit mechanisme, gericht op lage prijzen en moordende concurrentie, zorgt voor schaalvergroting en voor een externalisering van de ecologische kostprijs. Nergens wordt verrekend wat de kostprijs is van de uitputting van de bodem, de watertafels en de lokale ecosystemen, of van de onderbetaling van de geleverde arbeid.

-In die race heeft het Noorden beslag gelegd op grote gebieden in het Zuiden, waar het op een goedkope manier gebruik maakt van de grond, het water, de zon en de mogelijkheid voor meerdere oogsten per jaar. Die goedkope inlijving van de productiefactoren, betekent vaak een directe bedreiging voor de voedselveiligheid en voedselzekerheid voor de lokale bevolking.

-Op dit eigenste moment vindt er een ware race plaats van bepaalde landen om buiten hun eigen nationale grenzen grond in te palmen om voedselproductie voor de toekomst veilig te stellen voor hun inwoners. Landgrabbing is een groeiend probleem in Afrika en Latijns-Amerika.

-Op ecologisch vlak zorgen de stijgende wereldbevolking en de impact van de klimaatverandering vandaag voor extra stress bij de voedselproductie.

-Die stress wordt nog aangewakkerd door de grootschalige productie van energiegewassen voor biobrandstoffen, vaak op landbouwgrond en van gewassen die beter voor het voedsel van mensen worden gebruikt.

-Aangedreven door de logica van de kapitalistische markteconomie, brengt de race naar energiegewassen onethische voedselspeculaties op gang, die in sommige landen al geleid hebben tot voedselrellen en tot een extreme aantasting van de voedselzekerheid.

-Het landbouwmodel van de grootschalige agrobusiness is bovendien een model dat een gigantische ecologische voetafdruk genereert. Niet alleen worden immense oppervlakten in beslag genomen, maar de bijhorende monoculturen zorgen vor een snelle achteruitgang van de biodiversiteit.

-Dit landbouwmodel is ook onlosmakelijk verbonden met het gebruik van pesticiden, insecticiden en kunstmest, gebaseerd op agrochemische producten, die een directe aanslag zijn op de atmosfeer en de gezondheid van de mensen.

-Ook de Groene revoluties, die verbonden zijn aan dit model, laten vandaag duidelijk hun onduurzame karakter zien in bijvoorbeeld India (dalende watertafels) of Brazilië (verdroging en uitputting van de bodem).

3. Barsten in het gangbare systeem

-Meer en meer komen er barsten in dit denken. Het Wereldbankrapport van 2008 had als titel “Landbouw voor ontwikkeling” en pleitte ronduit voor een andere aanpak, om zowel de armoede en de honger als de klimaatverandering te lijf te gaan. Het rapport lijkt beïnvloed te zijn door het IAASTD –rapport dat in april 2008 verscheen. Dit International Assessment of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development opteert resoluut voor meer kleinschaligheid, meer inzet van traditionele kennis en van aangepaste technologie. Het rapport distantieert zich expliciet van het gebruik van ggo’s omdat die de armoede noch de honger bestrijden en bovendien een zware aanslag plegen op de biodiversiteit en –zoals de markt vandaag is georganiseerd- ook op de autonomie van de boeren.

-Tussen 2010 en 2012 wordt er binnen de EU gewerkt aan de hervorming van het CAP (Common Agricultural Policy – Gemeenschappelijk Landbouwbeleid). Veertig procent van het Europese budget gaat naar landbouw. Het is erg belangrijk dat de aangebrachte hervormingen gaan in een richting die sociaal en ecologisch duurzaam is. Gaat het een model zijn dat beslag zal blijven leggen op gronden in het Zuiden? Zal het voedselzekerheid garanderen voor iedereen? Zal het de markten in het Zuiden niet langer verstoren maar stimuleren? Zal het de boer opnieuw een waardige plaats geven, of een landbouwmodel stimuleren waarin geen plaats meer is voor de boer en enkel voor de agrobusiness?

-Hoe ecologisch duurzaam zal dat landbouwmodel zijn? En hoe zal het helpen om het verlies aan biodiversiteit te stoppen?

4. Standpunt van Terra Reversa:

-De ecologische economie gaat ervan uit dat productie zich beperkt tot de natuurlijke, biofysische grenzen van de planeet; de allocatie moet ervoor zorgen dat dit voedsel belandt bij de mensen die het nodig hebben. Bij de verdeling van voedsel kan de markt nooit het laatste woord hebben. Terra Reversa pleit voor een economie die voorrang geeft aan het herverdelingsvraagstuk.

-Voeding is een mensenrecht en kan niet aan de vrije markt worden overgelaten. Terra Reversa pleit er dan ook voor om landbouw buiten de WTO te houden.

-Extreme speculatie met voedsel moet door aparte mechanismen absoluut verboden worden.

-De organisatie van de voedselproductie en de mondiale markt voor voedsel moeten grondig aan een herziening onderworpen worden. Er is nood aan grotere lokalisatie van voedselproductie, regionaal en lokaal. Het zou ook ethischer zijn landbouw en voedselproductie te baseren op het principe van autonomie van lokale gemeenschappen, met respect voor de ecologische grenzen en sociale herverdeling.

-Het gebruik van biobrandstoffen kan slechts in zeer wel overwogen gevallen, waar er absoluut geen concurrentie is met voedselvoorziening en voedselzekerheid en geen beslag gelegd wordt op productieve landbouwgrond.

-Terra Reversa pleit voor een uitstap uit ggo’s omdat dit vandaag een technologie is in handen van multinationals en de sociale en ecologische beloftes geenszins inlost, en vooral omdat die het voorzorgsprincipe over het hoofd ziet.

-Terra Reversa verzet zich ook tegen de patentering van zaden, omdat dit indruist tegen het recht op voedselsoevereiniteit;

-Terra Reversa steunt de visie, naar voor gebracht in het IAASTD-rapport: een pleidooi voor een landbouw die:
- terugkeert naar kleinschaligheid owv ecologische duurzaamheid
- voedselsoevereiniteit centraal stelt
- aanwezige historische, traditionele kennis waardeert
- kan gebruik maken van wetenschappelijk onderzoek en kennis

 

Olivier De Schutter (dec 2009):
‘Het hongerprobleem is op de eerste plaats een kwestie van sociale rechtvaardigheid en herverdeling. Opdrijven van de productie kan alleen iets betekenen voor het hongerprobleem als dit gekoppeld wordt aan een betere distributie en aan inspraak van de boeren in het landbouwbeleid.
Als het gaat over honger, in de context van een groeiende wereldbevolking, moeten we ook onze consumptiepatronen in vraag durven stellen, met name de groeiende vleesconsumptie op mondiaal vlak.’

Interesse om mee te werken?

Interesse om mee te werken? Wil je ook mee nadenken over een duurzame landbouw en geloof je ook dat er een alternatief mogelijk is?

Neem dan met ons contact op of laat ons je reactie horen

 

Bevolking

Contactpersoon: ward.bosmans@terrareversa.be

Groei wereldbevolking

Er is wel iets bijzonders aan de hand met de wereldbevolking. Deze is tienduizenden jaren beneden de 500 miljoen gebleven. Vooral vanaf 1750 kende de wereldbevolking een spectaculaire groei. Op dit ogenblik zijn we 6 miljard 800 miljoen. Tegen 2040 zouden we de 9 miljard bereiken. Naar de toekomst toe wordt verwacht dat de groei zal afnemen, om daarna een evenwicht te bereiken. De voorspellingen verschillen erg. De gegevens in deze tekst komen van het United States Census Bureau en van de UNO. Over de verre toekomst spreekt men zich eigenlijk niet uit, onder meer omdat er rekening wordt gehouden met een mogelijke catastrofe door overbevolking. Mijn bronnen komen voornamelijk uit Wikepedia, uit artikels met duidelijke referenties, bronnenvermelding en bibliografieën. (“World popultion”, “Demografic transition” en “Food security”).

Hoe kan die plotse groei worden uitgelegd? En kunnen we daaruit afleiden wat er aan te doen is?

Bijgaand een verklaring van de groei in vier ontwikkelingsfasen. Het gaat om een theoretisch model, het “Demographic transition model” (DTM). De oorsprong van deze theorie ligt bij de Amerikaanse demograaf Warren Tompson en werd voor het eerst naar voor gebracht in 1929. Later werd aan de theorie nog een vijfde fase toegevoegd.

 

 

Eerste fase: de pre-industriële samenleving.

In deze samenleving, die bij ons als “primitief” benoemd wordt, is er een hoog geboortecijfer en een hoog sterftecijfer. Beide houden elkaar in evenwicht. De bevolking groeit niet. Kinderen worden in de lokale economie ingezet en vormen als ze overleven een bestaanszekerheid voor hun ouders. Kinderen opvoeden betekent nauwelijks meer dan hen voeden. De bevolkingsstructuur is jong omdat weinigen overleven. Zie grafische voorstelling na fase vier.

Fase Twee: een land in ontwikkeling

Een verbetering in de voedselvoorziening en gezondheidszorg leidt tot een sterke daling van het sterftecijfer. Daardoor treedt een plotse groei van de bevolking op. Bevolkingsgroei is dus geen direct gevolg van de stijging van het geboortecijfer, maar van een daling van het sterftecijfer.

We weten inderdaad reeds uit andere bronnen dat zelfs een geringe stijging van het bbp op korte termijn leidt naar een drastische daling van de kindersterfte en een stijging van de levensverwachting bij geboorte.

 

In Europa ontstond die ommekeer door de “Landbouw Revolutie” in de 18° eeuw. Op wereldvlak duidt men de “Green Revolution” aan als oorzaak van de bevolkingsexplosie.

Die ontwikkeling leidt tot een sterke wijziging van de bevolkingsstructuur naar leeftijd. Het wordt nu een piramide.

 

Fase drie: een ontwikkeld land

In deze fase groeit de economie, de tewerkstelling, de lonen, de sociale zekerheid. Onderwijs komt ter beschikking van iedereen, en, wat essentieel is, ook voor meisjes.

Er is geen noodzaak meer aan kinderrijkdom. Integendeel, er is een reactie dat je gemakkelijker welvaart bereikt als je met minder moet delen. Kinderen opvoeden kost veel, en ze dragen niet meer bij tot het inkomen van het gezin. Verstedelijking leidt er toe dat de traditionele waarden van vruchtbaarheid en kinderrijkdom afkalven. Vrouwen nemen deel aan het economische en sociaal leven en wensen hun bestaan niet meer uitsluitend te besteden aan het opvoeden van kinderen.

Het geboortecijfer daalt, omdat mensen de familiale groei bewust overwegen, en ook over de kennis en de middelen beschikken om aan familiale planning te doen.

De structuur van de bevolking inzake leeftijd wordt kogelvormig. Minder jongeren, en dalende sterftecijfers. Mensen worden ouder. In deze periode spreekt men van een “demografisch dividend”. De grote middengroep werkt en verdient. Er zijn minder kinderen ten laste, en de ouderen werken lang.

 

Fase vier: verzadiging

Geboortecijfers en sterftecijfers blijven laag. De bevolking is stabiel, ze groeit niet meer.

In een aantal landen doet zich een tendens voor waarbij het geboortecijfer onder het reproductiecijfer (2,1 kinderen per gezin) daalt, en het sterftecijfer laag blijft. (Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Italië, Spanje, Portugal, Griekenland, Japan, China, Zuid Korea, Cuba, Singapore,Thailand, Singapore….). Voor de continuering van het economische model zoals dat in fase drie verloopt gaat dit problemen stellen: vergrijzing van de bevolking, een groeiend deel van de bevolking is afhankelijk van een krimpend deel actieven, vermindering van de economische activiteit….

De bevolkingsstructuur qua leeftijd gaat de vorm aannemen van een uitgerokken ballon.

 

Vijfde fase?

Het model dat we aanhaalden houdt het bij vier ontwikkelingsfases. Een aantal wetenschappers stellen dat er een vijfde fase moet beschreven worden voor landen die een transitie doormaken van een economie gebaseerd op de klassieke manufactuur industrie naar een economie gebaseerd op diensten en kennis, wat zij de-industrialisatie noemen.

Dit sluit aan bij de tendens waar fase vier in heel wat landen op uitloopt: daling van het geboortecijfer beneden de reproductie drempel, en een stijgend sterftecijfer te wijten aan welvaartsziekten zoals obesitas en diabetes. In de visuele voorstelling gaat dit de richting uit van een ballon.

Hieronder dan een grafiek die de bevolkingsontwikkeling toont volgens deze theorie in de vijf fasen. Even samenvatten.

 

In fase 1. lage bevolkingscijfers (rode lijn, onderaan in fase 1). Geboortes (purperen lijn) en sterftes (blauwe lijn) houden elkaar in venwicht op een hoog niveau (lijnen bovenaan in fase 1).

In fase 2. daalt het sterftecijfer sterk. De geboortes volgen nog niet evenredig.

Fase 3. ook de geboortes dalen. In fase twee en drie stijgt het bevolkingsaantal exponentieel.

Fase 4. geboortes en sterftes vinden en nieuw evenwicht. De groei van de bevolking wordt minder sterk.

Fase 5. geboortes dalen, het sterftecijfer begint een stijgende tendens te vertonen. Het bevolkingsaantal stagneert eerst en gaat dan dalen.

 

 

Bedenkingen

1. We moeten voor ogen blijven houden dat het hier gaat om een theoretisch model dat de plotse groei van de wereldbevolking vanaf 1750 - met een aanzet in Europa in de late Middeleeuwen - tracht te verklaren. Voor wat de situatie in het verleden betreft, lijkt die verklaring plausibel. Wanneer door een sterke verbetering van voedselvoorziening en hygiëne de kindersterfte met de helft daalt, dan betekent dit dat die helft de volwassen leeftijd zal bereiken en op zijn beurt kinderen op de wereld zal brengen, met een nog lagere kindersterfte Dan kunnen we ons wel voorstellen dat dit leidt tot een bevolkingsexplosie die zich uitdrukt in een meetkundige reeks.

Volgens dit verklaringsmodel zijn een aantal alom verspreide opvattingen over het bevolkingsvraagstuk onjuist. Denken de meeste mensen niet dat de bevolkingsexplosie te wijten is aan groei van het aantal geboortes bij mensen “die kweken zoals konijnen”? Dit klopt dus helemaal niet. De bevolkingsexplosie is in eerste instantie te wijten aan een daling van het sterftecijfer. Mensen die ouder worden, vergroten de bevolking.

Ook over de plaats waar de bevolkingsgroei zich relatief het sterkst voordoet is de “commom opninion” fout, als ze die situeren in Azië, bij “de Chinezen en de Indiërs”.

Onderstaande grafiek toont dit aan. Ze geeft de verhoudingen weer van de bevolkingen van de verschillende werelddelen op de totale wereldbevolking. Azië maakt zowat 60 % uit van de wereldbevolking, maar dat is altijd zo geweest. Het aandeel van Azië in de wereldbevolking daalt de jongste jaren (na 2000), en zal naar verwachting blijven dalen. De oorzaak ligt niet alleen bij een actuele daling van het geboortecijfer in China onder de reproductiedrempel. Wellicht verkeren die landen in Zuid- en Oost Azië al sedert eeuwen in hun eigen fase 3. Een wijziging op termijn in de verhoudingen tussen de continenten inzake hun aandeel in de wereldbevolking is eveneens te wijten aan het feit dat het aandeel van Europa en Noord Amerika daalt. De grote “groeiers” zijn Afrika en Zuid-Amerika.

 

Van boven naar beneden gelezen in 1750: Azië, Europa, Afrika, Latijns Amerika, Noord Amerika, Oceanië.


2. Al geeft het concept DMT een verklaring voor de groei tot nu toe, de vraag is of het ook een voorspellende waarde heeft. Dit moet toch wel met zeer grote omzichtigheid worden behandeld.

Als het model ook voorspellend zou zijn, dan ligt de conclusie voor de hand. Het probleem zal zich van zelf oplossen. Zorg er voor dat de ganse wereldbevolking zo snel mogelijk de vier fasen van de ontwikkeling volgt, en de groei stopt. Je hoeft er dus niets aan te doen. Enkel zorgen voor economische groei wereldwijd.

Een conclusie is ook dat het geen zin heeft trachten in te grijpen op het aantal geboortes. Mensen worden maar vatbaar voor geboortebeperking in fase 3. En dat komt van zelf. Voordien hoef je er niet aan te beginnen. De overheid hoeft dus helemaal geen politiek van geboortecontrole te voeren.

 

3. Het model geeft ook aanleiding tot heel rare bedenkingen. Ik formuleer ze puur als denkoefening, als een uitdaging tot discussie.

3.1. De bevolkingsgroei heeft in eerste instantie te maken met een daling van het sterftecijfer. Als we dan zouden willen dat de bevolkingsgroei stopt, waarom willen we dan alleen werken aan de zijde van de geboortecijfers? Als mensen ouder worden groeit de bevolking ook.

De vraag die dan rijst is of we ons zo extra moeten inspannen om mensen zo lang mogelijk te laten leven. Wij vinden dit vanzelfsprekend, maar is het dat wel? Als het aantal plaatsen op aarde beperkt is, is het dan zo evident dat die moeten voorbehouden worden aan ouderen, en dat potentieel leven het recht op ontstaan wordt ontzegt? Wij denken vanuit een individueel recht op leven, maar is leven enkel iets wat individueel bestaat? Is er ook geen collectief recht op leven, voor de ganse mensheid, en voor toekomstige generaties? En wat zijn daar dan de consequenties van?

Gevaarlijke redenering. Roept zo connotaties op met nazipraktijken. Het zou uiteraard totaal immoreel zijn te gaan denken aan levensbeëindiging van ouderen omdat ze de plaats van jongeren innemen. Anderzijds geven de enorme investeringen die gedaan worden om het leven te kunnen verlengen te bedenken.

Het gevaar dat er in zit als men de bedenking niet durft te formuleren en in discussie te brengen is dat ze onderhuids leeft bij wetenschappers en beleidsmakers. Laat bvb alles maar gaan. Dan stevenen we af op een catastrofe en daarna is het probleem ineens opgelost. Dan is er weer ruimte voor degenen die overleven. Dit scenario is vooral aantrekkelijk als het vooruitzicht is dat de catastrofe zich niet bij ons maar aan de andere kant van de aardbol zal voordoen.

Als we die discussie durven aangaan, dan zal dit ons er misschien toe brengen om anders te denken over het geheel, over aarde en mensen, en over nu en later.

3.2. Een andere rare bedenking ontstaat als we dit demografisch transitiemodel toepassen op de actualiteit, en veronderstellen dat het zal continueren. In de huidige situatie is de helft van de wereldbevolking arm, en bijna één miljard mensen zijn extreem arm, wat wil zeggen dat ze niet of nauwelijks in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Ze verkeren onmiskenbaar in fase 1. Die situatie is bekend, maar wordt er eigenlijk iets efficiënt aan gedaan? In de definitie van armoede volgens de groep rond prof. Jan Vranken (Universiteit Antwerpen) is een van de essentiële kenmerken van armen dat ze niet in staat zijn uit zichzelf uit hun situatie te geraken. Dat geldt dus ook voor armoede wereldwijd. Waarom lukt het dan niet die bevolkingen te ondersteunen om zich naar een groeimodel te begeven?

Wellicht is het ook een ‘onderhuidse’ motivering dat het rijke noorden er geen belang bij heeft het arme zuiden hulp te bieden. In tegendeel. Het schaadt hun belangen. Als arme landen of bevolkingen ertoe komen over te gaan naar fase twee, dan is een lokale bevolkingsexplosie te verwachten. Dat verergert het probleem van de bevolkingsgroei. Bovendien gaan ze dan meer CO2 uitsloten, water verbruiken, energie en grondstoffen, en ruimte innnemen.waar er nu al een tekort dreigt wereldwijd. Het is eenvoudiger als dat niet gebeurt. Het is dus in het belang van de rijken dat de armen arm blijven. Een beetje ontwikkelingshulp kan de schijn redden. Als die arme landen zich niet ontwikkelen hoeven de rijke landen niet of minder in te binden. Ook hier is er sprake van een “peak”. Vanaf een bepaald ogenblik weegt het voordeel van een nieuw afzetgebied niet op tegen het nadeel te moeten inbinden.

En dan nog zo een rare bedenking. Op TV zijn we vertrouwd geraakt met beelden uit de minst ontwikkelde landen waar we geconfronteerd worden met het feit dat men daar elkaar uitmoordt. Als we de wapens zien waarmee de diverse groepen te keer gaan, dan vraag je je af: waar komen die vandaan? Wie heeft ze gemaakt? Wie heeft ze verkocht? Waar komt het geld vandaan om ze te kopen? En hoe komt het dat daar niet efficiënt opgetreden wordt? We hebben toch internationale instellingen op wereldniveau! Zou daar misschien ook zo een onderhuidse redenering achter schuil gaan? ‘Laat ze maar doen. Voor ons is het een win-win situatie’?

4. Laten we eindigen met de vraag: wat kunnen we doen aan de bevolkingsgroei? Als we het DTM volgen komt het dus vanzelf in orde, alleen houdt dit model niet in de minste mate rekening met de draagkracht van de aarde. Die laat niet toe ieder mens die opeenvolgende fasen van de huidige economische ontwikkeling te laten volgen. Als we nu reeds de draagkracht van de aarde met zo een 25% overschrijden volgens de berekening van de ecologische voetafdruk, dan is dit scenario niet te verantwoorden.

Nochtans lijken die opeenvolgende fasen van ontwikkeling logisch. Het enig mogelijke antwoord is dan dat het om een andere ontwikkeling moet gaan dan degene die we tot nu toe gekend hebben. Dit impliceert niet alleen een ander economisch model, maar ook een ander sociaal en cultureel ontwikkelingsmodel. We kunnen ons die opeenvolging van de fases van DTM niet permitteren. Pas geboortebeperking nadat er materiële welvaart is? Omdat pas als er welvaart is onderwijs en gezondheidszorg zich kunnen ontplooien? We zullen de volgorde moeten omkeren. Ontwikkeling moet beginnen bij onderwijs en gezondheidsvoorzieningen. En dat vraagt een beleidsconcept dat grondig anders is dan wat wij tot nu toe hebben toegepast.

De consequenties voor ons zijn echter bijzonder zwaar. Het gaat er niet alleen om “onderontwikkelde” landen te ondersteunen om hun weg te vinden naar een eigen ontwikkeling. We moeten vooral zelf inbinden. Plaats maken. Dat is een keiharde werkelijkheid die we moeten durven verdedigen. Dat betekent ook dat we een versuikering van een ecologische beleid moeten bestrijden. Zoiets wat iedereen wel kan aanvaarden en wat niets oplost. Uiteindelijk komt het er op neer dat de oplossing van ecologische problemen volstrekt moet verbonden worden aan het oplossen van armoede en ongelijkheid. Dat is de “green deal”.

Voedselveiligheid en bevolkingsgroei

De visie van Lester Brown

 

Het doet raar aan: een stukje willen schrijven over een dreigend wereldwijd voedseltekort als je pas hebt zitten kijken op TV naar de massale vernietiging van landbouwproducten in eigen land wegens overproductie.

 

Het lijkt me tekenend voor de ganse problematiek. Op het gebied van klimaatverandering is er een consensus gegroeid bij wetenschappers over oorzaken en gevolgen van de opwarming van de aarde. Op het gebied van voedselzekerheid lijken we nog ver af van een consensus. Als je probeert een beetje zicht te krijgen op het probleem stoot je op tegenstrijdige interpretaties van gegevens. Dat is te begrijpen. Het gaat om toekomstvoorspellingen waar onvermijdelijk onzekerheid mee gemoeid is, en klaarblijkelijk wordt ook wetenschap dikwijls bedreven vanuit een interpretatiekader, waar je de omgekeerde volgorde zou verwachten.

 

De enen verdedigen het standpunt dat de voedselproductie sneller is gestegen dan de bevolking, en dat er dus in principe geen voedseltekort is. Er is wel een verdelingsprobleem. Anderen stellen dat de voedselproductie niet kan blijven stijgen, en dat momenteel de vraag het aanbod overtreft. Bovendien is het zo dat niet alleen de bevolking groeit, maar dat het ook een wereldwijd fenomeen is dat bij stijgende consumptiemogelijkheden een bevolking ook haar voedingspatroon wijzigt: men gaat vlees eten, en om die dieren te kweken is een veelvoud nodig van het voedsel dat de mens zelf gebruikt.

 

En het grootste probleem: water. Water groeit niet, en zonder water, geen voedselproductie.

 

Dat lijken mij hete hangijzers te zijn in de discussie.

 

Hieronder geef ik een samenvatting van een artikel van Lester Brown: “Could Food Shortages Bring Down Civilization?” en ik haal een paar elementen aan uit zijn boek “Plan B 3.0. Mobilizing to save civilization”.

 

Na jarenlange waarneming van de globale trends inzake landbouw, bevolking, milieu en economie is Brown tot de vaststelling gekomen dat de trends daarin en de politieke spanningen die deze meebrengen regeringen en samenlevingen zullen onderuit halen Een tekort aan voedselvoorziening kan niet alleen afzonderlijke regeringen maar ook onze globale beschaving ten onder brengen.

 

1 Het probleem van de falende staten

 

Gedurende zes van de laatste negen jaar heeft de graanproductie de consumptie niet kunnen volgen, met als gevolg dat de graanvoorraden dalen en de prijzen stijgen. Dat zet landen onder druk die niet in staat zijn voor de eigen graanproductie te zorgen of om graan te kopen, met als gevolg een hongerende bevolking. Dit brengt het begrip naar voor van de “falende staten”, waar de regeringen niet in staat zijn te zorgen voor persoonlijke veiligheid, voedselzekerheid en basis sociale voorzieningen inzake onderwijs en gezondheidszorgen. Hun aantal neemt toe. Ze verliezen de controle over hun grondgebeid. Staatsmacht, wet en orde desintegreren.

 

Deze staten vormen een internationaal probleem omdat ze haarden zijn voor terrorisme, drugs, wapens en vluchtelingen. Als er genoeg staten desintegreren, dan zal hun val de stabiliteit van de globale beschaving bedreigen.

 

We staan voor een nieuw geopolitiek probleem. Waar in de vorige eeuw de grote bedreiging uitging van een mogelijk conflict tussen supermachten, gaat die nu uit van de falende staten. Het risico voor ons zit niet meer in de concentratie van macht maar in de afwezigheid ervan.

 

2. Een nieuw soort voedseltekort

 

In het verleden zijn er nog periodes geweest waarin de graanprijzen sterk stegen. Ze werden veroorzaakt door mislukte oogsten. Als de jaren daarop de oogsten terug normaal werden daalden die prijzen weer. Nu staan we echter voor een trendgedreven verhoging van prijzen, die niet meer vanzelf zullen dalen. Er is niet alleen het feit dat we jaarlijks 70 miljoen mensen meer moeten voeden, maar ook dat steeds mee mensen vleesproducten gaan consumeren die zeer graanintensief zijn om ze voort te brengen.

 

Daarboven op komt het gebruik van graan om ethanolbrandstof te produceren. In de VS wordt één vierde van de graanoogst omgezet in brandstof voor wagens. Dat is genoeg om 125 miljoen Amerikanen te voeden, of 500 miljoen Indiërs volgens hun huidig consumptieniveau. De hoeveelheid graan die nodig is voor één tankbeurt ethanol volstaat om een mens een gans jaar te voeden.

 

Deze trend brengt mee dat als de waarde van graan als voedsel lager ligt dan zijn waarde als brandstof, de markt het graan van de voedsel- naar de en energie-economie zal versassen. Die dubbele vraag zal leiden naar een epische competitie tussen wagens en mensen voor de graanproductie. We komen te staan voor een politiek en ethisch probleem zonder voorgaande. De pogingen van de VS om hun olieafhankelijkheid te verminderen leiden tot een globale voedselonzekerheid op een nooit geziene schaal.

 

 

3. Watertekort betekent voedseltekort

 

Drie trends in het milieu zullen het steeds moeilijk maken om het aanbod van graan aan de vraag te laten voeldoen: een tekort aan zoetwater, een verlies aan bovengrond en de aardeopwarming. Van die drie is het tekort aan water de meest onmiddellijke dreiging. Het probleem ligt bij de irrigatie, waar 70 % van het zoetwater in de wereld aan opgaat. Miljoenen bronnen over de hele wereld pompen meer water op dan de regenval aanvult. Het gevolg is dat de waterniveau’s dalen in landen die de helft van de wereldbevolking vertegenwoordigen, waaronder de drie grootste: China, India en de VS.

 

Meestal worden watergrondlagen weer aangevuld, maar dat geld niet voor “fossiele” lagen. De laag onder de Noord Chinese vlakte moet voor het water zorgen van meer dan helft van de tarwe en voor een derde van het koren. Door overgebruik is water in het ondiepe niveau veelal opgebruikt, wat dwingt om dieper te boren naar lagen die niet hernieuwbaar zijn. De Wereldbank voorziet een catastrofe voor de toekomstige generaties als het gebruik van water en de aanvulling er van niet snel terug in evenwicht worden gebracht..

 

In India is de situatie nog erger. Miljoenen bronnen zijn opgedroogd. Het leidt tot series zelfmoorden binnen de landbouwbevolking voor wie water levensnoodzakelijk is. De aanhoudend inkrimpende watervoorraad gaat leiden tot een onbeheersbaar tekort aan voedsel en aan sociale conflicten.

 

 

4. Minder grond, meer honger.

 

Een tweede onrustwekkende trend is het verlies aan vruchtbare grond door erosie. Een derde van de landbouwgronden van de wereld wordt er door bedreigd. De vruchtbare grond is een dunne bovenlaag die eigenlijk het fundament van onze beschaving vormt. Het heeft een zeer lange geologische tijd gevraagd om ze op te bouwen. Erosie door wind en water heeft al eerder beschavingen ten onder gebracht.

 

Een derde trend die de voedselzekerheid bedreigt over de hele wereld is de stijging van de oppervlaktetemperatuur, een bedreiging voor alle akkervelden ter wereld. In vele landen zijn de oogsten gegroeid tot aan hun thermisch optimum. De minste stijging van de temperatuur tijdens het groeiseizoen kan de oogst doen krimpen. De U.S. National Academy of Sciences formuleerde een vuistregel: bij elke stijging van de temperatuur met 1 graad Celsius vermindert de opbrengt van tarwe, rijst en koren met 10 percent.

 

In het verleden heeft een “groene revolutie” plaats gehad door het toepassen van bemesting, irrigatie en variëteiten van rijst en tarwe met hoge opbrengsten. De groeiende vraag werd succesvol beantwoordt door het aanwenden van wetenschap in de landbouw. De technologie bood de oplossing. Maar nu gaat spijtig genoeg de landbouwproductiviteit omlaag op de lange termijn. Tussen 1950 en 1960 slaagden de boeren er wereldwijd in de graanopbrengst met 2% per jaar te doen toenemen, dus sterker dan de groei van de bevolking. Sedertdien is de toename gedaald naar 1 %. In sommige landen bereikt de opbrengst zijn praktische limiet, en dat slaat ook op de rijstopbrengsten van Japan en China.

 

Sommigen beweren dat genetische gemanipuleerde zaden een uitweg zullen bieden. Spijtig genoeg hebben genetische gemanipuleerde gewassen niet geleid tot spectaculaire hogere opbrengsten die vergelijkbaar zijn met de verdubbeling en zelfs verdriedubbeling van de opbrengsten aan tarwe en rijst die tijdens de groene revolutie plaats had. Het lijkt er ook niet naar uit te zien dat het nog zal gebeuren, omdat de conventionele technieken van plantenkweek al de mogelijkheden hebben ingenomen om de opbrengsten nog te doen groeien.

 

5. Ellenbogenwerk voor voedsel

 

Als de voedselzekerheid in de wereld onder druk komt te staan dreigt er een zeer gevaarlijke politiek ingang te vinden om aan de voedselschaarste te ontkomen. Individuele landen gaan uit eigenbelang zodanig optreden dat ze het probleem voor iedereen verergeren. Het begon in 2007 toen grote graan exporterende landen zoals Rusland en Argentinië hun export beperkten of afsloten met de bedoeling hun eigen bevolking te kunnen bevoorraden en de prijzen in eigen land te doen dalen. Vietnam en Thailand deden het zelfde. Dat verzekert de plaatselijke bevolking misschien van voedsel, maar het creëert paniek bij de landen die afhankelijk zijn van wat er rest aan graan op de wereldmarkt.

 

Als antwoord op deze exportinperkingen trachten graaninvoerders bilaterale akkoorden af te sluiten om zich op termijn van graan te voorzien. Een dergelijk akkoord sloten de Philippijnen af met Vietnam. De angst voor voedseltekort leidt er zelfs toe dat importlanden landbouwgronden opkopen in andere landen om zich van voedsel te verzekeren.

 

Niettegenstaande dergelijke maatregelen leiden stijgende voedselprijzen tot een uitbreidende honger in vele andere landen, wat leidt tot een afbraak van de sociale orde . In verschillende provincies van Thailand moeten de dorpelingen ’s nachts gewapend de wacht houden om hun velden te beschermen tegen rijstdieven. In Pakistan moeten militaire escortes de vrachtwagens begeleiden. In Soedan werden in de eerste helft van 2008 83 vrachtwagens gegijzeld met graan bestemd voor de vluchtelingenkampen van Darfur.

 

Geen enkel land is immuun voor de effecten van een inkrimpend voedselaanbod, zelfs de VS niet, ’s werelds graanschuur. Als China zicht tot de wereldmarkt wendt voor massale aankopen van graan, zoals het al deed voor sojabonen, dan zal het zich tot de VS moeten keren. Dan zullen de consumenten in de VS in competitie komen met 1,3 miljard Chinezen met snel groeiende inkomens. Een nachtmerrie-scenario. In het verleden hebben de VS in dergelijke situaties hun export beperkt, maar met China is dit geen optie. Chinese investeerders hebben een biljoen US $ ter beschikking en zijn internationaal de grootse kopers van VS schatkistpapier dat werd uitgegeven om de begrotingstekorten te financieren. Of ze het nu graag hebben of niet, de Amerikanen zullen hun graan moeten delen met de Chinese gebruikers, om het even hoe hoog de voedselprijs zal stijgen.

 

6. Plan B: onze enige mogelijkheid

 

Sedert het wereldwijde voedseltekort trendgedreven is, moeten de milieutrends die het veroorzaken omgekeerd worden. Dit zal buitengewone maatregelen vereisen, een monumentale omkeer tegenover het “business as usual”- wat het Earth Policy Institute plan A noemt - naar een plan dat de beschaving moet redden: Plan B 3.0.

 

Gelijkaardig van schaal en hoogdringendheid als de mobilisatie in de VS voor

Wereldoorlog II, heeft Pan B vier componenten:

  • een massale inspanning om de koolstofemissies met 80 % te doen dalen van hun niveau in 2006 tegen 2020,

  • de stabilisering van de wereldbevolking op 8 miljard tegen 2040

  • het uitroeien van de armoede

  • het herstel van wouden, vruchtbare grond en watervoorzieningen.

 

We kunnen koolstofdioxide emissies inperken door systematisch de energie-efficiënte op te voeren en massaal te investeren in hernieuwbare energiebronnen. We moeten wereldwijd ontbossing tegengaan, zoals in een aantal landen reeds gebeurt, en miljarden bomen planten om koolstof te reduceren. We kunnen een transitie van fossiele brandstoffen naar hernieuwbare energie realiseren door belasting te heffen op koolstof, belasting die dan in de plaats kan komen van inkomstenbelastingen.

 

De bevolking stabiliseren gaat hand in hand met het uitroeien van de armoede. De sleutel van de overgang naar kleinere gezinnen ligt bij het uitroeien van armoede, en omgekeerd. Een van de middelen daartoe is op zijn minst lager onderwijs te voorzien voor alle kinderen, zowel voor meisjes als voor jongens. Een ander middel is elementaire gezondheidszorg te voorzien op dorpsniveau, zodat de mensen er kunnen op rekenen dat hun kinderen de volwassen leeftijd zullen bereiken. Vrouwen over heel de wereld moeten toegang krijgen tot gynaecologische gezondheidszorg en diensten voor gezinsplanning.

 

De vierde component, de natuurlijke systemen en bronnen van de aarde herstellen, veronderstelt wereldwijde initiatieven om het dalen van de waterniveaus tegen te gaan door de productiviteit in het watergebruik op te drijven. Dat impliceert een overstap naar meer efficiënte irrigatiesystemen voor meer waterefficiënte oogsten. In sommige landen moet dit er toe leiden dat meer tarwe dan rijst wordt gekweekt en gegeten, wegens het zeer waterintensief karakter van rijstkweek. En voor de industrie en de steden geldt wat sommige reeds doen: permanent water recycleren.

 

Tegelijk moet er een wereldwijde inspanning gebeuren om de erosie tegen te gaan van de vruchtbare grond, onder meer door bomen en windhagen te planten, door zo weinig mogelijk grond te bebouwen en om te ploegen, en door restanten van oogsten op de velden te laten staan.

 

De samenhang van die vier componenten van plan B is al langer bekend, en er wordt ook heel wat aan gedaan. Heel wat landen kijken daar positief tegen aan als een middel tot ontwikkeling, zolang het maar niet te veel kost. Anderen zien het als humanitaire doelstellingen, als een vorm van politiek correct en moreel handelen. Nu komt er een derde motivatie bij: ze zijn nodig om het ineenstorten van de beschaving te voorkomen. De kosten die we voorzien om de beschaving te redden liggen beneden de 200 miljard $ per jaar. Een zesde van wat aan militaire bewapening wordt uitgegeven. Eigenlijk vormt Plan B een nieuwe budgettaire veiligheid.

 

7. Wat we het meest te kort hebben: tijd

 

De uitdaging voor ons is niet alleen om Plan B uit te voeren, maar evenzeer om het snel te doen. We leven in een wedren tussen wat de politiek er in slaagt te doen en de weg die de natuur gaat. Zullen we de kolengestookte energiecentrales snel genoeg kunnen sluiten om te voorkomen dat het ijs van Groenland smelt zodat de zee onze kusten overstroomt? Kunnen we de koolstofemissies snel genoeg naar beneden halen om de gletsjers van Azië te redden? Gedurende het droge seizoen bevoorraadt hun smeltwater de grote rivieren van China en India, waar honderden miljoenen mensen van afhankelijk zijn. Kunnen we de bevolking stabiliseren voor landen als India, Pakistan en Yemen worden overweldigd door een tekort aan water om hun velden te bevloeien?

 

We kunnen niet overdrijven in het beklemtonen van de hoogdringendheid. Elke dag telt. De natuur stelt de deadlines vast. De natuur is de ‘timekeeper’, maar wij mensen kunnen de klok niet lezen.

 

Wij moeten wanhopig op zoek naar een nieuwe denkwijze, een nieuwe geestesgesteldheid. Het denken dat ons in de knoei heeft gebracht zal er ons niet uithelpen. We moeten uit dit denken treden om de beschaving te redden.

 

In zijn boek ‘Plan B 3.0 Mobilizing to Save Civilization’ besteedt Lester Brown een hoofdstuk aan het probleem van voedselveiligheid onder de titel “Feeding Eight Billion Well”. Hij beschrijft daarin de huidige situatie en ontwikkelingen op gebied van voedselvoorziening.

 

Een interessant detail daaruit.

Hoeveel mensen kan de aarde van voedsel voorzien?

Dat hangt er van af hoeveel ze eten en wat ze eten.

Als iedereen eet zoals een Amerikaan, dan is er voedsel voor 2 miljard mensen.

Als iedereen eet zoals een Italiaan, dan is er genoeg voor 5 miljard mensen.

Moest iedereen eten zoals een Indiër, dan is er genoeg voor 10 miljard mensen.

 

Wat Lester Brown benadrukt in zijn besluiten is de samenhang van de problemen.

 

Vroeger lag de verantwoordelijkheid voor voedselzekerheid bij het Miniserie van Landbouw. Nu, in onze situatie van overbevolking, klimaatverandering en waterschaarste, wordt voedselzekerheid een verantwoordelijkheid voor de ganse samenleving en voor alle Ministeries.

 

Honger is een gevolg van armoede. Honger uitroeien betekent dus armoede uitroeien. En waar de bevolking zijn land zijn en water opgebruikt, hangt uitroeien van honger ook af van het stabiliseren van de bevolking. Er is maar één alternatief. Ofwel slagen we er in om de groei van de bevolking te beheersen, ofwel zal ze dalen als gevolg van sterfte.

 

Het Ministerie van Energie krijgt een grotere verantwoordelijkheid dan het Ministerie van Landbouw. De grootste bedreiging voor de voedselzekerheid is de klimaatverandering als gevolg van het gebruik van fossiele brandstoffen. Het is de verantwoordelijkheid van het Ministerie van Energie om de vernietiging van oogsten door hittegolven tegen te gaan, het smelten te voorkomen van de gletsjers die Azië’s rivieren voorzien van water, evenals dat van het poolijs dat als het smelt Azië’s rivierdelta’s zal overstromen en de vlaktes die moeten zorgen voor de rijstoogst.

 

Water is veel belangrijker om de voedselproductie te kunnen verhogen dan land, dus is het de verantwoordelijkheid van de Ministeries die voor de waterbevoorrading instaan om te zorgen voor een verhoging van efficiënt watergebruik. De uitdaging is, zoals bij energie, om aan de vraagzijde de efficiëntie te verbeteren en niet om het aanbod te verhogen.

 

In een wereld waar landbouwgrond meer en meer schaars wordt ligt er een verantwoordelijkheid bij het Ministerie van Transport om voor meer gediversifieerde transportsystemen te zorgen, minder landintensief. Meer spoorweg, meer gemeenschapsvervoer, meer fietsen. Dat heeft een directe weerslag op de voedselzekerheid van de wereld, zoals een reductie van het gebruik van fossiele brandstoffen helpt om het klimaat te stabiliseren.

 

De beslissing van regeringen om oogsten te gebruiken voor biobrandstoffen tast het aanbod van graan aan als voedsel en navenant ook de prijzen daarvan. In de VS zou de regering een moratorium moeten plaatsen op de licenties om nog meer op graan gebaseerde ethanol voort te brengen.

 

En tenslotte, we hebben als individuen en rol te spelen. Of we met de wagen of met de fiets naar het werk gaan heeft een weerslag op de koolstofuitschot, op de klimaatverandering, op de voedselzekerheid. De grootte van de wagen waarmee we naar de supermarkt rijden heeft een effect op de rekening aan de kassa. Als we bovenaan de voedselketen zitten, dan kunnen we naar beneden dalen. We verbeteren er onze gezondheid mee en helpen het klimaat te stabiliseren. Voedselzekerheid, dat is iets waar we allemaal een verantwoordelijkheid in hebben.

 

Tot daar enkele ideeën van Lester Brown.

 

 

Bronnen:

 

Lester R. Brown. Could Food Shortages Bring Down Civilization? The biggest threat to global stability is the potential for food crisis in poor countries to cause government collapse. Scientific American. April 22, 2009.

 

Lester R. Brown. Plan B 3.0. Mobilizing to save civilization. Chapter 9. Feeding 8 billion well.

 

Robert Engelman. Population and Sustainability: Can we avoid limiting the number of people? Slowing de rise in human numbers of people is essential for the planet – but is doesn’t require population control. Scientific American. June 10, 2009.

 

Food Security. Wikepedia, the free encyclopedia. Last updating19 juni 2009.

 

 

 

Biodiversiteit

Contactpersoon: vera.dua@terrareversa.be
bram.moeskops@terrareversa.be

Dieren en planten sterven uit aan een hels tempo. Waardevolle ecosystemen worden vernietigd en ook de genetische diversiteit gaat zienderogen achteruit. Vooral menselijke activiteiten liggen aan de basis van deze zorg­wekkende toestand. Telkens weer moeten natuurlijke ecosystemen wijken voor economisch interessanter bodem-, water- en zeegebruik.
De kern van het probleem is dat economische groei en consumentisme de drijvende krachten zijn in onze geglobaliseerde wereld en alles is daaraan ondergeschikt… ook de natuur ontsnapt niet aan deze wetmatigheid.
Op de internationale fora maakt een nieuwe conservatiestrategie momenteel furore. Via het vermarkten van natuurwaarden probeert men een economische argumentatie op te bouwen om een betere bescherming van biodiversiteit te realiseren: betaling voor ecosysteemdiensten, handel in natuurkredieten, bosbescherming in ruil voor koolstofkredieten…
De vraag is of het zomaar overleveren van de natuur aan de spelregels – of het gebrek aan spelregels – van de vrije markt wel het juiste antwoord is? En kan men “natuur” zomaar vertalen in geldwaarde?
Over deze nieuwe evoluties in het biodiversiteitsdebat wil Terra Reversa een themagroep opstarten.

Ben je geïnteresseerd, neem dan contact op met:  vera.dua@terrareversa.be of bram.moeskops@terrareversa.be

Ecologische economie